De commissie heeft het rapport vrijdag aan de NOvA aangeboden. De NOvA had de commissie gevraagd haar te adviseren over de vraag op welke wijze de kernwaarden kunnen worden geborgd bij bestaande en eventuele toelating van nieuwe alternatieve organisatiestructuren in de advocatuur.
De commissie constateert dat de bescherming van de kernwaarden in verschillende organisatiestructuren in het huidig bestel, ook ten aanzien van traditionele organisatiestructuren waarin advocaten werken, ‘geen overtuigend, coherent en consistent geheel vormt’. Het door dekens uitgeoefende proactieve toezicht op advocaten wordt volgens de commissie in de praktijk maar zeer beperkt en van arrondissement tot arrondissement verschillend ervaren. ‘Het klacht- en tuchtrecht werkt alleen als een reactief middel en garandeert bepaald niet dat bij gebreke aan klachten de kernwaarden steeds voldoende worden toegepast.’
De onderzoekers pleiten voor aanpassing van het bestaande bestel waarbij de kernwaarden ‘meer robuust, coherent en proactief’ kunnen worden gewaarborgd. Dat nieuwe basisstelsel bestaat uit vier onderdelen. Ten eerste klacht- en tuchtrecht dat gericht is op de persoonlijke houding van de advocaat die op ‘excellente wijze’ vormgeeft aan de kernwaarden. Ten tweede moet er proactief toezicht op individuele advocaten door de OTA komen, die daarvoor passende bevoegdheden krijgt om informatie te verzamelen en passende sancties op te leggen. Die Onafhankelijk Toezichthouder Advocatuur moet nog worden opgericht. Ook stelt de commissie extern kantoortoezicht voor op grote kantoren door de OTA. Als laatste moet een vorm van onafhankelijk intern toezicht voor grote kantoren door een raad van commissarissen of niet-uitvoerende bestuurders van een one-tier board verplicht worden.
De juiste voorwaarden
Als dit basisbestel van de kernwaarden op orde is, vindt de commissie dat Alternatieve Organisatie Structuren waarin advocaten werken onder voorwaarden mogelijk zijn. De commissie concludeert dat een coherente en consistente benadering van samenwerkingsverbanden met andere beroepsbeoefenaren meebrengt dat advocaten met meer, verschillende beroepsbeoefenaren moeten kunnen samenwerken dan nu is toegestaan. Deze beroepsbeoefenaren moeten daarvoor wel in het samenwerkingsverband hun beroep uitoefenen, functioneel betrokken zijn bij de advocatenpraktijk die in het samenwerkingsverband wordt uitgeoefend en onderworpen zijn aan tuchtrechtelijk toezicht op de naleving van hun wettelijke verplichtingen en beroepswaarden. Een samenwerkingsverband met accountants moet volgens de onderzoekers ook mogelijk zijn. ‘Voor accountants geldende onafhankelijkheidsregels en voor advocaten geldende regels voor de omgang met tegenstrijdige belangen kunnen voldoende mogelijke spanningen rond onafhankelijkheid en geheimhouding beheersbaar maken.’
De commissie vindt ook dat het onder de juiste voorwaarden mogelijk is dat advocaten in dienst van een rechtsbijstandsverzekeraar of schaderegelaar optreden voor niet-verzekerden. De te stellen voorwaarden houden onder andere in dat de rechtsbijstandsverzekeraar of schaderegelaar onder toezicht staat op grond van de Wft.
De commissie gaat ook in op private equity investeerders. Investering door private equity investeerders in een advocatenkantoor kan voor- en nadelen opleveren, aldus de commissie. ‘Onder de voordelen zijn te noemen, hogere productiviteit, sterkere strategische focus en snelheid van besluitvorming. Nadelen zijn onder andere de (nog) sterkere financiële sturing, het aangaan van omvangrijke schulden om het rendement op het geïnvesteerde vermogen te maximaliseren.’ Bovendien is uit andere beroepssectoren, zoals dierenartsen en tandartsen, bekend dat de prijzen voor cliënten doorgaans zullen stijgen, zegt de commissie. ‘Dit zou de toegang tot het recht niet bevorderen.’ Dit alles vraagt volgens de commissie om een ervaren en competente onafhankelijke toezichthouder die op dit moment niet bestaat. ‘De OTA moet nog worden opgericht en moet na oprichting nog ervaring opbouwen met het toezicht op advocaten en grote kantoren. De commissie is van oordeel dat, zolang de OTA nog in opbouw is en het toezicht niet op het vereiste niveau kan worden gewaarborgd, niet-functioneel betrokken investeerders in een advocatenkantoor niet moeten worden toegelaten.’
MSO
Wat volgens de commissie op termijn wel toelaatbaar kan zijn, is het uitbesteden van de gehele of nagenoeg gehele zakelijke bedrijfsvoering aan een Managed Service Organisation (MSO) in de vorm van een aparte vennootschap waarin derden investeren. Het kantoor contracteert dan de MSO voor de te verlenen dienstverlening. ‘Ook in een dergelijke structuur kunnen de kernwaarden van de advocatuur onder druk komen te staan, bijvoorbeeld indien de fee voor de dienstverlening door de MSO mede afhankelijk is van de gedeclareerde omzet van het kantoor bij cliënten,’ zegt de commissie. ‘Een dergelijke MSO-structuur is onder de huidige regelgeving toelaatbaar.’ De commissie adviseert de volledige of nagenoeg volledige uitbesteding van de bedrijfsvoering aan een MSO waarin derden investeren voorlopig te verbieden, zolang op dergelijke structuren niet adequaat extern toezicht kan worden uitgeoefend door de OTA.
Een bijzondere vorm van MSO-structuur is wanneer verschillende digitale en AI-systemen worden ondergebracht in een vennootschap. Wanneer advocatenkantoren vervolgens gebruik maken van die systemen kunnen de kernwaarden nog meer onder druk komen te staan ‘omdat de technologie waarin derden investeren direct ook de beroepshandelingen door de advocaten kan betreffen’. Bij het ontbreken van de OTA en het door de OTA uit te oefenen toezicht moet deze organisatiestructuur naar het oordeel van de commissie nu niet worden toegestaan.
Visie NOvA
Het rapport van de commissie komt een maand nadat onderzoekers van de Erasmus Universiteit Rotterdam en Pro Facto in opdracht van het WODC ook een onderzoek publiceerden. In dat rapport concludeerden de onderzoekers dat de Nederlandse advocatuur onvoldoende ruimte biedt voor organisatievormen die kunnen bijdragen aan betaalbare en toegankelijke rechtshulp, met name voor lage en middeninkomens en het kleinere mkb.
Het onderzoek in opdracht van de NOvA werd geleid door Jaap Winter die eerder advocaat en partner was bij De Brauw Blackstone Westbroek in Den Haag en Amsterdam. Hij combineerde de advocatuur met wetenschappelijk onderwijs en onderzoek: sinds 1999 was hij als hoogleraar Internationaal Ondernemingsrecht verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en vanaf 2005 aan de Universiteit van Amsterdam. In 2010 werd hij daarnaast hoogleraar Corporate Governance aan de Duisenberg school of finance. Sinds 2013 is hij voorzitter van het College van Bestuur van de Vrije Universiteit Amsterdam.
De NOvA laat vrijdag weten beide onderzoeksrapporten te betrekken bij haar verdere visievorming over dit onderwerp. Na gesprekken met interne en externe stakeholders zal de algemene raad een ‘gedragen visie ontwikkelen op hoe de advocatuur kan worden verrijkt met innovatieve samenwerkings- en financieringsvormen die bijdragen aan de toegang tot het recht, met behoud van de wettelijke kernwaarden’. De algemene raad komt na de zomer met een plan van aanpak. ‘De stip op de horizon is gericht op een toekomstbestendig en uitlegbaar systeem van regelgeving van praktijkstructuren en samenwerkingsverbanden waarbij kwaliteit, innovatie en samenwerking wordt gestimuleerd en de toegang tot het recht wordt versterkt.’
