Op 26 juni komen advocaten bijeen in de Ulu Moskee in Utrecht voor lezingen over onder meer demonstratierecht, tuchtrecht, mensenrechten en de strafrechtelijke vervolging van Israëlische militairen. De bijeenkomst is geaccrediteerd met vier opleidingspunten.
Laat ik vooropstellen dat tegen de bijeenkomst als zodanig geen bezwaar bestaat. In een vrije samenleving staat het advocaten vrij zich te organiseren, politieke opvattingen uit te dragen en juridische strategieën te bespreken. Dat behoort tot de vrijheid van vereniging en meningsuiting. De vraag is echter waarom deze bijeenkomst onderdeel wordt gemaakt van het stelsel van permanente educatie.
Artikel 10a van de Advocatenwet noemt als kernwaarden van de advocatuur onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid, integriteit en vertrouwelijkheid. De individuele advocaat is partijdig. Dat is zijn wettelijke opdracht. Hij behartigt de belangen van zijn cliënt, ook wanneer die cliënt impopulair is of een minderheidsstandpunt vertegenwoordigt. Maar juist daarom behoort de beroepsgroep als instituut onafhankelijk te zijn.
De Orde van Advocaten is geen belangenorganisatie voor politieke campagnes en evenmin een platform voor activisme. Haar taak is het bewaken van de kwaliteit, onafhankelijkheid en integriteit van de advocatuur. Tegen die achtergrond is de titel van de cursus opmerkelijk. Niet: Internationaal humanitair recht en het Midden-Oostenconflict. Niet: Israël, Palestina en het recht. Niet: Juridische vraagstukken rond Gaza. Maar: Pleiten voor Palestina. De titel laat weinig ruimte voor twijfel over de gekozen invalshoek.
Ook het programma kent uitsluitend sprekers die één perspectief op het conflict belichten. Aan hun deskundigheid hoeft niet te worden getwijfeld. Velen hebben binnen hun eigen rechtsgebied een uitstekende reputatie opgebouwd. Opvallend is echter dat geen enkele spreker is uitgenodigd die de juridische positie van Israël vertegenwoordigt, de problematiek van terrorismebestrijding behandelt of een afwijkende visie op het conflict biedt. Het probleem is dus niet wie er wel spreken, maar wie er niet spreken. Daarmee rijst de vraag welke maatstaf de Orde hanteert bij accreditatie.
Zou een cursus onder de titel Pleiten voor Israël eveneens vier opleidingspunten hebben ontvangen? Zou een bijeenkomst in een synagoge, met lezingen over antisemitisme, de juridische positie van Israël, de rechten van gijzelaars en de bestrijding van terrorisme, op dezelfde wijze zijn geaccrediteerd?
Indien het antwoord bevestigend luidt, verdient het aanbeveling dat de Orde dit expliciet maakt. Indien het antwoord ontkennend luidt, rijst de vraag of hier sprake is van een ongelijke maatstaf. Die vraag raakt niet aan Palestina of Israël, maar aan de positie van de advocatuur zelf.
De laatste jaren hebben veel maatschappelijke instituties moeite gehad weerstand te bieden aan politieke en ideologische druk. Universiteiten, media en culturele instellingen zijn daar voorbeelden van. De kracht van de advocatuur is altijd geweest dat zij zich juist aan dergelijke stromingen wist te onttrekken.
De advocaat mag partijdig zijn. De wet schrijft hem dat zelfs voor. De balie mag dat niet zijn. Het stelsel van opleidingspunten dient juridische kennis en vakbekwaamheid te bevorderen. Het is niet bedoeld om politieke overtuigingen, hoe respectabel ook, van een officieel kwaliteitsstempel te voorzien.
De Orde van Advocaten doet er daarom verstandig aan nog eens uit te leggen waarom een cursus die zich expliciet met één partij in een van de meest gepolariseerde conflicten van deze tijd identificeert, thuishoort binnen het stelsel van permanente educatie.
Want instellingen verliezen hun betekenis zelden door aanvallen van buitenaf. Veel vaker gebeurt dat doordat zij van binnenuit vergeten waarvoor zij zijn opgericht.

Oscar Hammerstein
oud-advocaat

Reactie NOvA: Muslim Rights Watch is geen erkende opleidingsinstelling

‘Advocaten zijn in het kader van de permanente opleiding verplicht om jaarlijks minimaal 20 opleidingspunten te behalen.

Enkel door de NOvA erkende opleidingsinstellingen hebben de mogelijkheid om zelf punten toe te kennen aan door hen gegeven cursussen. De Muslim Rights Watch (MRWN) is geen door de NOvA erkende opleidingsinstelling. Bijgevolg kan de MRWN dan ook geen punten toekennen aan door haar aangeboden cursussen.

Als advocaten in het kader van hun permanente opleidingsverplichting een cursus bij een niet door de NOvA erkende opleidingsinstelling willen volgen, zullen zij allereerst zelf een afweging moeten maken of de cursus voldoet aan de eisen voor puntwaardigheid. Jaarlijks doet de advocaat in het kader van het toezicht op de advocatuur een opgave van alle gevolgde opleidingen.

Het is vervolgens aan de lokale deken om te beoordelen of cursus die is gevolgd bij een niet erkende opleidingsinstelling punten oplevert in het kader van de permanente opleiding.

Advocaten die onderwijs volgen aan een niet door de NOvA erkende opleidingsinstelling lopen daarbij het risico dat de lokale deken oordeelt dat het volgen van de betreffende cursus niet bijdraagt aan hun permanente opleidingsverplichting en zij bijgevolg, indien zij niet voldoende wel toegestane punten hebben behaald, niet voldoen aan de voor advocaten geldende regelgeving.’

Advertentie