Volgens onderzoekers Ariane Hendriks en Wilke Maas-van Weert van Tilburg Law School verplicht internationale regelgeving staten om terughoudend te zijn met vormen van gezamenlijke conflictbeslechting bij geweld in de relationele sfeer. Het Verdrag van Istanbul, het internationale mensenrechtenverdrag tegen huiselijk geweld, verbiedt verplichte mediation in dergelijke situaties. Toch blijkt uit beleidsdocumenten, hulpverleningstrajecten en rechtspraak dat in Nederland nog vaak wordt uitgegaan van samenwerking tussen ouders, ook wanneer sprake is van geweld.

In het Nederlandse familierecht ligt de nadruk sterk op samenwerking tussen ouders na een scheiding. Rechters verwijzen partijen daarom geregeld naar mediation of gezamenlijke trajecten om afspraken te maken over kinderen en gezag. Volgens de onderzoekers kan deze benadering bij huiselijk geweld onveilig zijn.

Internationale toezichthouder GREVIO heeft eerder al kritiek geuit op Nederland. Volgens deze instantie worden slachtoffers nog te vaak naar gezamenlijke trajecten verwezen zonder dat eerst zorgvuldig wordt vastgesteld of sprake is van geweld.

Onvoldoende screening

Een belangrijk knelpunt is het gebrek aan systematische ‘triage’: een eerste beoordeling waarin wordt vastgesteld of huiselijk geweld speelt en of gezamenlijke gesprekken verantwoord zijn. Uit het onderzoek blijkt dat die screening vaak ontbreekt.

Ook in interventies en hulptrajecten is beperkte aandacht voor veiligheid. Van negen onderzochte programma’s noemt slechts één expliciet huiselijk geweld als reden om ouders niet gezamenlijk te laten deelnemen. In veel andere trajecten ontbreekt aandacht voor de positie van de kwetsbare partij.

Daarnaast constateren de onderzoekers dat rechters mediation of gezamenlijke hulpverlening blijven inzetten, zelfs wanneer een van de ouders melding maakt van mishandeling, bedreiging of angst voor de ex-partner.

Advertentie