Volgens het recente rapport van de Algemene Rekenkamer werden in 2024 tienduizend van de 42.000 aangiften van ernstige misdrijven niet in behandeling genomen. Dit is bijna een kwart van het totaal. Drieduizend van de tienduizend onbehandelde zaken blijven liggen als gevolg van een capaciteitstekort bij de politie en het OM, erkent de minister nu in een brief aan de Tweede Kamer. Over de interpretatie van de zevenduizend overige zaken verschilt Van Weel van mening met de Rekenkamer. Waar de Rekenkamer rept van ‘bij voorbaat afgewezen’ aangiftes door de politie, stelt de minister dat het vooral ging om zaken die niet in behandeling werden genomen door het ontbreken van ‘aanknopingspunten voor de opsporing’.
Verschillende berekeningen
De verschillen in uitleg worden door Van Weel in belangrijke mate toegeschreven aan de verschillende rekenmethodes die de Rekenkamer en de politie hanteren. De Rekenkamer baseert zich bij de telling en prioritering van ernstige misdrijven op de Crime Harm Index (CHI). Deze index drukt de ernst van een misdrijf uit in het gemiddeld aantal detentiedagen dat voor dat type misdrijf aan first offenders is opgelegd. De politie kijkt volgens de minister meer naar ‘opsporingsindicaties’. Hij wil in gesprek met de Rekenkamer ‘om te bezien of we de cijfermatige beelden kunnen harmoniseren’. Eerder verweet de Rekenkamer Van Weel dat hij een ‘onjuist beeld’ schetste van de cijfers.
Kritische Kamer
In het Kamerdebat van donderdag 24 september vindt de minister diverse kritische fracties tegenover zich. Ingrid Coenradie van JA21 vraagt Van Weel om ’totale opheldering’. Coenradie: ‘De minister moet uitleggen waar hij zijn uitspraken op baseerde en waarom die zo sterk afwijken.’ Pro-Kamerlid Songül Mutluer voegt daaraan toe: ‘Het gaat om ernstige aangiften die door de politie niet worden opgepakt en dus niet worden opgespoord. Dat is ernstig.’