Mr. X ontving op 22 september een vrouw met haar partner op kantoor. Hij zou voor de partner een verblijfsvergunning aanvragen.
Op 4 oktober deed de vrouw navraag omdat ze niets van mr. X hoorde en hem telefonisch niet kon bereiken. Twee maanden later, op 4 december, klaagde ze bij de deken.
Pas op 3 maart stuurde mr. X een bevestiging van de IND door dat de aanvraag op 24 februari was ontvangen en reageerde hij op de klacht.
De cliënte verweet mr. X dat hij vertraging had veroorzaakt, dat hij slecht bereikbaar was en dat hij haar niet had geïnformeerd over de voortgang.
Mr. X voerde als verweer dat hij al op 2 oktober een aanvraag per post had gedaan, maar hij kon dit niet aantonen, terwijl de cliënte wel een screenshot van het IND-portaal had overgelegd waaruit ontvangst in februari bleek. Dat hij slecht bereikbaar was erkende mr. X.
Ter zitting vertelde hij dat zijn patroon zijn stage vlak voor de afronding had stopgezet en dat hij problemen had met een medebegeleider. Hij had te laat doorgehad dat het hem over de schoenen liep en was nu actief op zoek naar een coach – die hij vanwege een eerdere voorwaardelijke schorsing overigens ook móést vinden.
De raad van discipline Den Haag stelt vast dat de aanvraag vijf maanden na het bezoek was ingediend en dat mr. X klaagster al die tijd niet had geïnformeerd. Hij had zijn cliënten aan hun lot overgelaten. Maar omdat mr. X inzicht toonde, en zijn wens tot verbetering geloofwaardig was, blijft het bij een berisping.
Vanwege zijn financiële situatie krijgt hij geen kostenveroordeling. Wel moet hij het griffierecht van klaagster betalen én vindt de raad het redelijk als hij de nieuwe verklaring van ongehuwdheid van zijn cliënte vergoedt, nu de oude was verlopen.
Het is mooi dat de raad de omstandigheden van mr. X in dit geval meeweegt. Dat gebeurt maar zelden, terwijl de wet daarvoor wel ruimte biedt. De raad kán bij een gegrondverklaring met maatregel (naast een kostenvergoeding voor klager) een proceskostenvergoeding opleggen voor Orde en Staat. Het gaat bij de raden om een forfaitair bedrag van normaal € 1.250, bij het Hof om € 2.000.
Met name voor de sociale advocatuur, die particulieren bijstaat en veel met klachten te maken krijgt, is dat bepaald geen peanuts.