Door /  Ben Polman, Max den Blanken, Rachel Bruinen, Aimée Timorason, Frezia Aarts, Paul Verweijen, Chana Grijsen, Rick van Leusden, Patrick van der Meij, Desiree de Jonge, Paul van Putten, Sabine Pijl, Melissa Slaghekke, Michiel Olthof en Robert Malewicz (redactie), advocaten bij Cleerdin & Hamer Advocaten.

Schending aanwezigheidsrecht verdachte

Voor de verdachte bestaat op grond van het Wetboek van Strafvordering (Sv) de mogelijkheid om de rechter een verzoek te doen tot aanhouding van zijn zaak. Omdat in de praktijk veel van dit soort verzoeken worden gedaan, vond de Hoge Raad het nodig om in zijn arrest van 16 oktober van dit jaar (ECLI:NL:HR:2018:1934) algemene opmerkingen – aan de hand van eerdere rechtspraak – te maken over de wijze waarop verzoeken tot aanhouding van onderzoek ter terechtzitting moeten worden onderbouwd en door een rechter dienen te worden beoordeeld in relatie tot het aanwezigheidsrecht van een verdachte, waaronder begrepen het recht van verdachte om zich in zijn afwezigheid ter zitting door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsman te doen verdedigen. Bij een aanhoudingsverzoek moet de rechter op grond van de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad een belangenafweging maken en daarbij alle belangen in aanmerking nemen. Aan de ene kant is er het belang van de verdachte om zijn aanwezigheidsrecht te kunnen uitoefenen en aan de andere kant het belang van een spoedige berechting – wat zowel op de verdachte als op de maatschappij van toepassing is – met daarnaast nog het belang van een goede organisatie van de rechts­pleging. 

Eén van de kwesties die de Hoge Raad in dit arrest verder bespreekt, is de onderbouwing van het aanhoudingsverzoek door de verdediging. Op zich mag van de verdachte of zijn raadsman worden verwacht dat een verzoek tot aanhouding met gegevens wordt onderbouwd. Dit is echter niet verplicht. De aan het verzoek ten grondslag liggende omstandigheid dient aannemelijk te zijn. Als de rechter van oordeel is dat de omstandigheid niet aannemelijk is, volstaat niet als motivering voor dat oordeel dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd. Het kan namelijk zijn dat sprake is van een onverwachte omstandigheid zoals bijvoorbeeld ziekte van de verdachte. Alsdan dient er gelegenheid te worden geboden om het verzoek alsnog nader te mogen te toelichten dan wel van bewijsstukken te voorzien ter onderbouwing. Als de grond die aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag ligt niet aannemelijk is geworden, dan kan de rechter om die reden het gedane verzoek afwijzen. Een nadere belangenafweging als hiervoor genoemd, is dan niet vereist (HR 20 februari 2018, ECLI:NL: HR:2018:251, NJ 2018/119).

In de zaak zoals vermeld in het arrest van 16 oktober 2018 oordeelde de Hoge Raad dat het proces-verbaal van de zitting geen uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing inhield op het verzoek tot aanhouding van de zaak wegens verhindering door ziekte. Kennelijk was het hof van oordeel dat de grond van het verzoek, afwezigheid op de zitting wegens ziekte, voldoende aannemelijk was. Van een belangenafweging en toetsingskader in geval van het aanhoudingsverzoek door ziekte was evenwel geen sprake. Een overweging van het proces-verbaal van de zitting dat het hof de zitting zal heropenen als binnen één week alsnog een doktersverklaring wordt overgelegd, is niet voldoende, aldus de Hoge Raad. 

Ook in een arrest van 20 maart 2018 (ECLI:NL:HR:2018:375) blijkt dat in geval van de bedoelde belangenaf­weging de Hoge Raad – terecht – vasthoudt aan de strenge eis dat de rechter het toetsingskader van de juiste belangenafweging moet volgen, maar vooral goed dient te motiveren. In dit geval was het de raadsman niet duidelijk om welke reden zijn cliënt niet op de zitting aanwezig was. Het hof wijst het verzoek af omdat niet aannemelijk is geworden dat ­verdachte buiten zijn schuld om niet op de zitting aanwezig kon zijn. De Hoge Raad is helder in zijn oordeel en stelt dat die omstandigheid de afwijzing van het verzoek niet kan dragen. Overigens luidde de conclusie van advocaat-generaal mr. Bleichrodt anders, in die zin dat het hof de afwijzing van het aanhoudingsverzoek niet behoefde te motiveren, omdat naar zijn mening het verzoek van de raadsman niets inhield over de reden van de afwezigheid van de verdachte en er sprake was van een rechtsgeldige betekening, waardoor de verdachte op de hoogte zou moeten zijn van de zitting. Los van de conclusie van de advocaat-generaal, is de Hoge Raad van oordeel dat er een belangen­afweging had moeten plaatsvinden en het hof in had moeten gaan op wat door de raadsman was aangevoerd ter onderbouwing van het verzoek. 

Dan een ander interessant arrest van de Hoge Raad van 26 juni 2018 (ECLI:NL:​HR:2018:1016); een OM-cassatie. De verdachte in deze zaak is uitgezet, terwijl zijn raadsman meerdere verzoeken en mededelingen heeft gedaan aan de Nederlandse autoriteiten, in het bijzonder het Openbaar Ministerie, dat verdachte gebruik wilde maken van zijn aanwezigheidsrecht bij de behandeling van zijn zaak in hoger beroep. De inspanningen van de advocaat waren reden voor het hof om schending van het aanwezigheidsrecht ingevolge artikel 6 lid 1 EVRM aan te nemen. Om die reden achtte het hof het OM niet-ontvankelijk in haar vervolging. Evenwel kwam de Hoge Raad tot het oordeel dat nu het hof – in aanmerking genomen dat niet-ontvankelijkheid van het OM slechts voorkomt in uitzonderlijke gevallen en sprake is van een onherstelbare inbreuk – niets heeft vastgesteld omtrent de (on)mogelijkheid om verdachte alsnog van zijn aanwezigheidsrecht gebruik te kunnen maken en derhalve evenmin of sprake van een onherstel­bare inbreuk, het oordeel tot ­niet-ontvankelijkheidverklaring als onbegrijpe­lijk wordt beschouwd. 

Ook in het geval sprake is van een verzoek tot aanhouding van de zaak door een niet-gemachtigd raadsman moet de rechter ook rekenschap geven van de door hem gemaakte afweging van belangen, in de vorm van een gemotiveerde afwijzing.[1] Zo blijkt eens te meer uit het arrest van 29 mei 2018 (ECLI:NL:HR:2018:779). Bij brief voorafgaand aan de zitting had de raadsman van de verdachte het hof laten weten niet op de zitting te zullen verschijnen nu hij de verdachte niet had kunnen bereiken en niet wist of hij gemachtigd was. Wel verzocht de raadsman om aanhouding van de zaak om na te gaan of hij alsnog door verdachte gemachtigd kan worden. Het hof concludeerde dat de verdachte afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht en daarom het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting diende te worden afgewezen. Dat was naar het oordeel van de Hoge Raad ontoereikend gemotiveerd. Er was niet duidelijk of de verdachte afstand had gedaan van het recht op bijstand door zijn raadsman op de zitting. Dat het hof verder heeft overwogen dat de verdachte gedetineerd zat en daarom voor zijn raadsman goed te bereiken was, terwijl ook de verdachte contact kon opnemen met het kantoor van de raadsman, brengt de Hoge Raad niet op andere gedachten. Andermaal zegt de Hoge Raad dat uit een dergelijke motivering niet blijkt dat sprake is geweest van een bedoelde afweging van belangen.

Benadeelde partij

De vordering en causaal verband

In het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 23 maart 2018 (ECLI:NL:GHAMS:2018:1012) heeft het hof – kort gezegd en anders dan de rechtbank – geoordeeld dat de vordering van een benadeelde partij afgewezen diende te worden vanwege het ontbreken van een causaal verband tussen de gewoonteheling en de door de benadeelde partij geleden schade. Het hof overweegt dat vaststaat dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld wat aan hem kan worden toegerekend. De verdachte is derhalve in beginsel verplicht de door de benadeelde partij geleden schade te vergoeden, maar alleen als de gepleegde gewoonteheling kan worden aangemerkt als conditio sine qua non van de door de benadeelde partij geleden schade. Het hof heeft in dit arrest geoordeeld dat de benadeelde partij, noch en in het bijzonder het Openbaar Ministerie, terwijl deze alle in het bezit waren van het dossier, erin is geslaagd zulk verband conditio sine qua non aannemelijk te maken. De enkele stelling dat de voorwerpen zijn gestolen door middel van een inbraak en vervolgens door de verdachte zijn geheeld, volstaat daarvoor niet. 

In een zaak met ogenschijnlijk zelfde bewezenverklaring komt het Gerechts­hof Amsterdam op 7 september 2018 (ECLI:NL:​GHAMS:2018:3347) tot een ander oordeel. De van de benadeelde gestolen kentekenplaten zijn zeer kort na de vermeende diefstal in het bezit van de verdachte aangetroffen. De verdachte kon geen enkele aannemelijke verklaring geven over hoe hij zo kort na de diefstal aan deze kentekenplaten is gekomen. Om deze reden houdt het hof de verdachte – die is veroordeeld voor opzet­heling – verantwoordelijk voor de kosten (72 euro) die de benadeelde partij heeft gemaakt ter vervanging van zijn kentekenplaten.

Niet tijdig voegen in het strafproces

Met betrekking tot het al dan niet tijdig voegen in het strafproces heeft de Hoge Raad op 12 juni 2018 (­ECLI:NL:HR:2018:896) een interes­sant arrest gewezen. Het middel klaagt over het kennelijke oordeel van het hof dat de betrokkene 1 zich in eerste aanleg rechtsgeldig als benadeelde partij heeft gevoegd. In deze zaak heeft de benadeelde partij aan de officier van justitie – tijdens de schorsing van de politierechterzitting na het sluiten van het onderzoek en voorafgaand aan de uitspraak – te kennen gegeven zich nog te willen voegen. Na de schorsing heropende de politierechter het onderzoek ter terechtzitting, waarna zij een deel van de vordering toewees. In appel handhaaft de benadeelde partij haar vordering en legt ter terechtzitting – vrij vertaald – uit dat zij niet beter wist dan dat zij de vordering ergens op zitting diende te overleggen. De Hoge Raad oordeelt dat de benadeelde partij niet bevoegd is tot voeging in appel als in eerste aanleg de vordering is gevoegd nadat de officier van justitie het woord heeft gevoerd overeenkomst artikel 311 Sv. Dat is in strijd met het bepaalde in artikel 51g Sv.

Beklag tegen strafvorderlijk beslag

Op het gebied van beklag en beslag is dit jaar weinig noemenswaardigs gebeurd. Dat wordt hopelijk anders in het kader van de operatie Modernisering Wetboek van Strafvordering. Op grond van conceptartikelen en de toelichting lijkt er weinig te veranderen, maar de (zwakke) positie van de beslagene wordt in ieder geval verbeterd. In de conceptmemorie wordt bijvoorbeeld erkend dat beslag na de beslissing tot inbeslagneming en het laten voortduren daarvan uit beeld raakt bij de officier van justitie. In conceptartikel 2.7.2.4.1 lid 1 is daarom een algemene zorgplicht voor de officier van justitie neergelegd als het gaat over (de voortvarende afhandeling van) het beslag op voorwerpen. Ook komt er een maximumbedrag ter waarde waarvan voorwerpen in beslag (ex art. 94a Sv) genomen kunnen worden (conceptartikel 2.7.2.3.2). Momenteel is dat geen wettelijk vereiste, alhoewel een dergelijk bedrag wel vaak wordt benoemd in een machtiging. Ook nieuw is dat de machtiging tot conservatoir beslag niet langer dan drie maanden geldig is; binnen die tijd moet de officier van justitie de voorwerpen daadwerkelijk in beslag hebben genomen. Ten slotte is het vermelden waard conceptartikel 2.7.2.4.2, waarin in lid 2 wordt bepaald dat beslag binnen de regel binnen zes maanden via de hulpofficier van justitie zal eindigen met de teruggave, tenzij de officier van justitie gemotiveerd beslist dat het noodzakelijk is dat het beslag voortduurt. Beoogd wordt om zo de officier van justitie te dwingen zich in de zaak te verdiepen om te beoor­delen of voortzetting van het beslag nog nodig is.

Modernisering van het Wetboek van Strafvordering

In het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering wordt voorgesteld de artikel 12 Sv-procedure te wijzigen (zie Boek 3). De belangrijkste voorgestelde wijzigingen zijn:[2] 

  • De verplichting tot het mededelen van een beslissing tot niet-vervolging: de kennisgeving van niet verdere vervolging en het beschrijven van de rechtsgevolgen daarvan. Bij de regeling van het beëindigen van de zaak wordt een duidelijker onderscheid gemaakt tussen de gevallen waarin nog geen vervolgingsbeslissing is genomen en de gevallen waarin een ingestelde vervolging niet wordt voortgezet. 
  • Uitdrukkelijk is opgenomen dat de rechtstreeks belanghebbende ook kan opkomen tegen het uitblijven van opsporing. 
  • Een aantal termijnen is opgenomen; voor het indienen van het beklag (drie maanden), voor het uitbrengen van het verslag van de advocaat-generaal en een termijn voor het gerechtshof voor de beslissing op het beklag (zes weken). 
  • De mogelijkheid om nader onderzoek te gelasten, ten behoeve van de voorbereiding van de beslissing op het beklag, is vergroot en het wordt mogelijk om aan een bevel tot vervolging (ontbindende) voorwaarden te verbinden.

Bewijs en motivering

Feiten van algemene bekendheid

In NJ 2018/344 (­ECLI:NL:HR:​2018:1125) kwam de vraag aan de orde of de rechter de ligging van een bepaalde woning van waaruit getuigen twee daders van een inbraak hadden waargenomen, ook mocht afleiden uit het na de zitting geraadpleegde Google Maps en dat vervolgens als feit van algemene bekendheid mocht aanmerken. Het hof had immers in de bewijsoverwegingen betrokken hoe de getuigen – blijkens Google Maps – zicht hadden gehad op de bloemenwinkel waar was ingebroken. De Hoge Raad komt tot het oordeel dat het hof kennelijk heeft geoordeeld dat de ligging van de woning van de getuigen van algemene bekendheid is en dat dit niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en niet onbegrijpelijk is. Daarbij noemt de Hoge Raad dat het hof heeft kunnen aannemen dat het voor eenieder van de rechtstreeks bij het geding betrokkenen zonder meer duidelijk was dat het hier gaat om een algemeen bekend gegeven met betrekking tot de plaatselijke gesteldheid op of aan de openbare weg dat (ook) uit de algemeen toegankelijke bron Google Maps te achterhalen valt. Dat de Hoge Raad tussen haakjes zet dat deze plaatselijke gesteldheid ook via Google Maps te achterhalen is, is natuurlijk van belang. Daaruit blijkt al wel dat het hier gaat om een type gegeven dat al snel als feit van algemene bekendheid kan worden aangemerkt en derhalve geen bewijs behoeft. Of de kennis over de plaatselijke gesteldheid dan is verkregen door ter plaatse te gaan kijken naar de ligging van de woning of via Google Maps of een andere algemeen toegankelijke bron, maakt daarbij weinig verschil. 

Daarmee is dus niet gezegd dat de rechter tijdens de beraadslaging zonder meer een zoekmachine als Google kan gebruiken om relevante informatie voor bijvoorbeeld de weerlegging van gevoerde verweren op te doen. Inmiddels doet echter ook de rechter die tijdens het onderzoek ter terechtzitting googelt zijn intrede. Zo gebruikte het Bossche hof in een zaak over schuldheling van een scooter, waarbij werd aangevoerd dat de verdachte mogelijk het geforceerde contactslot niet had gezien, als bewijsmiddel de eigen waarneming van het hof dat bij het googelen van een scooter van dit merk en bouwjaar afbeeldingen te zien waren van een scooter waarvan het contactslot op een plek zat die door de verdachte gezien moest zijn (ECLI:NL:​HR:2018:618). De vraag of het hof dat kon doen, stond verder in cassatie niet centraal, maar het laat wel zien dat ­Google-zoekresultaten op verschillende manieren kunnen doorwerken in de latere bewijsconstructie. Het is dus van belang de googelende rechter zeker niet zomaar zijn of haar gang te laten gaan. Of met het invoeren van het merk en bouwjaar van een scooter als zoektermen zonder meer (alleen) afbeeldingen worden verkregen van die scooter van dat merk en dat bouwjaar – en het hof dus een vergelijkbare scooter waarnam als de scooter die de verdachte voorhanden had gehad – is op zijn minst betwistbaar.

Unus testis, nullus testis

Ook in 2018 werd door de Hoge Raad weer een aantal keer bevestigd dat de vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, zich niet in algemene zin laat beantwoorden, maar een beoordeling vergt van het concrete geval. Ten aanzien van de verdachte die door het Hof Amsterdam werd vrijgesproken (Hof Amsterdam 7 juli 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2867) was steunbewijs aanwezig dat zag op zijn aanwezigheid in het bed en op de bank waar vermeend ontuchtige handelingen met het slachtoffer hadden plaatsgevonden tijdens het logeren. Dat ondersteunde volgens het hof de context waarbinnen de handelingen volgens het slachtoffer hadden plaatsgevonden, maar gaf de verklaring van het slachtoffer onvoldoende concrete steun op het punt van de ontuchtige handelingen. Tegen die uitspraak ging het Openbaar Ministerie in cassatie en betoogde dat het hof hier van een onjuiste rechtsopvatting uitging nu de overwegingen impliceerden dat het steunbewijs moet zien op de ten laste gelegde handelingen. Volgens de Hoge Raad had het hof dat echter niet miskend, het oordeel dat in deze zaak niet was voldaan aan het bewijsminimum was evenmin onbegrijpelijk en dus bleef de vrijspraak in stand. 

Steun voor de verklaring van een aangever/aangeefster wordt vaak gezocht in een bevestiging van de aanwezigheid van de verdachte op de plaats waar het ten laste gelegde zou zijn gepleegd. Of een dergelijke bevestiging voldoende is, is ook weer afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij lijkt de Hoge Raad van belang te achten wat nu precies over die aanwezigheid kon worden vastgesteld. In ECLI:​NL:HR:2018:229 werd artikel 81.1 RO afgedaan, waardoor de veroordeling van een activiteitenbegeleider op een vakantiepark, die met een vijfjarig kind een wc inging en het kind blinddoekte en dwong iets in de mond te nemen, in stand. De verklaring van het kind vond onder meer steun in camerabeelden waarop te zien was dat de verdachte met het kind kwam teruglopen uit de richting van de wc. Geconfronteerd met deze beelden had de verdachte ook bevestigd dat hij met het kind naar de wc was gegaan. In ECLI:NL:HR:2018:189 slaagde een unus testis klacht echter. De aangeefster zou meerdere keren en op meerdere plekken zijn misbruikt door de verdachte. Het hof overwoog dat andere bewijsmiddelen de verdachte steeds koppelden aan de aangeefster op de specifieke, in de tenlastelegging bedoelde tijdstippen en/of locaties waarover de aangeefster gedetailleerd had verklaard. De daarbij in aanmerking genomen aanwezigheid van de verdachte in het bijzijn van de aangeefster in zijn woning, op een camping en in zijn vakantiehuisje volstond volgens de Hoge Raad echter niet als steun voor de verklaringen van de aangeefster. In de verklaring van de dochter van de verdachte over zijn dwingende, geen weigering duldende handelwijze – die aansloot bij de verklaring van de aangeefster over het karakter van de verdachte – kon evenmin voldoende steun worden gevonden, nu deze verklaring geen betrekking had op specifieke omstandigheden. 

Rechter-commissaris en dossier

In artikel 34 Sv wordt de verdediging een belangrijk middel geboden om invloed uit te oefenen op de inhoud van het dossier. Dit kan de verdediging doen door een gemotiveerd verzoek aan de officier van justitie te richten om bepaalde stukken aan de processtukken toe te voegen. Op basis van het tweede lid van dit artikel kan de verdediging verzoeken om eerst inzage in stukken te krijgen om de relevantie van de stukken te onderbouwen. Als echter het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen, is het de zittingsrechter die verantwoordelijk is voor de samenstelling en volledigheid van de processtukken. De verdediging kan dan verzoeken bepaalde stukken aan het dossier toe te voegen, waarbij de rechter zal moeten beoordelen of de noodzaak van overlegging van die stukken is gebleken (art. 315 Sv). Als alsnog inzage is verleend in die stukken, kan de verdediging worden beperkt in de mogelijkheid de relevantie te onderbouwen. 

Wat dat betreft is de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 10 januari 2018 (ECLI:NL:RBROT:2018:660) van belang. Op een regiezitting werd verzocht om inzage in/voeging van een groot aantal stukken. Overwogen wordt ten eerste dat het strike noodzaakscriterium een belangrijke nuancering kent in de algemene beginselen van een behoorlijke procesorde die kunnen meebrengen dat de beoordeling plaatsvindt op basis van het verdedigingsbelang. In dit geval was de verdediging pas vanaf de verstrekking van het einddossier in de gelegenheid geweest het opsporingsonderzoek op compleetheid te beoordelen, waarin de rechtbank aanleiding ziet (beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging) de artikelen 30 e.v. Sv analoog toe te passen. Aan de officier van justitie werd opdracht gegeven de verdediging inzage te bieden in een aantal omschreven stukken/gegevensdragers. Daar valt veel voor te zeggen, een beslissing tot voeging van stukken op verzoek van de verdediging verdient immers gelet op de toename van de omvang van het procesdossier niet zonder meer de voorkeur. Het ligt meer voor de hand dat zowel de officier van justitie als de verdediging toegang heeft tot dezelfde informatie en op basis van die toegang beide een selectie kunnen maken van door hen relevant geachte delen daarvan en die delen aan het dossier worden gevoegd. Dat lijkt de rechtbank hier ook voor ogen te staan nu de verdediging een termijn wordt gegeven om gebruik te maken van het inzagerecht en een zitting wordt gepland waarop op eventuele nadere onderzoekswensen (zoals het voegen van stukken) kan worden beslist. De rechtbank zet daarmee dus in feite een soort tussenstap voordat daadwerkelijk over het overleggen van bepaalde stukken wordt beslist, een tussenstap die tegemoetkomt aan de mogelijkheden die de verdediging ook na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting moet hebben om enige invloed op de dossiervorming te kunnen uitoefenen. 

Vormverzuimen artikel 359a Sv

Bewijsuitsluiting

Alhoewel de lijn van de Hoge Raad die in 2013 is ingezet (ECLI:NL:​HR:2013:BY5322) nog steeds weinig ruimte laat voor sanctionering van vormverzuimen, putten de auteurs van deze Kroniek ieder jaar weer hoop uit verschillende uitspraken van voornamelijk feitenrechters. 

Er is echter ook een arrest (ECLI:NL:​HR:2018:1872) van ons hoogste rechtscollege dat bespreking behoeft. Het gaat in deze zaak over de rechtmatigheid van het project ‘Moelander’. Dit is een project van de Eenheid Zeeland-West-Brabant waarbij het de bedoeling is dat voertuigen uit Midden-Oost-Europa worden gecontroleerd. Op basis van dit project houdt een verbalisant een man aan die rijdt in een auto met Bulgaars kenteken. Vervolgens komt hij erachter dat de man rijdt terwijl zijn rijbewijs ongeldig is verklaard. Het hof verwerpt het verweer dat hier sprake is van discriminatoir handelen dat tot bewijsuitsluiting dient te leiden. Daarvoor gebruikt het hof een merkwaardige redenering. Het zou volgens het hof namelijk niet gaan om een persoon, maar om een voertuigcontrole. Daarnaast gaat het hier om een auto met Bulgaars kenteken terwijl de bestuurder in Kroatië is geboren. Het gaat om een dermate brede benadering dat er geen sprake is van discriminatoir opreden. De Hoge Raad gaat hierin niet mee. Overwogen wordt dat bij de verkeerscontrole als selectiecriterium is gehanteerd of een kenteken afkomstig is uit een bepaalde groep landen, waardoor indirect onderscheid wordt gemaakt naar nationaliteit of afkomst van de inzittenden van het voertuig hetgeen niet is toegestaan. De Hoge Raad kwam al eerder tot een vergelijkbare redenering in het arrest over de dynamische verkeerscontrole (ECLI:NL:HR:2016:2454). Overigens wordt nog wel overwogen dat onder omstandigheden dit soort maatregelen gerechtvaardigd zijn, als het bijvoorbeeld gaat om maatregelen ter bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit, maar daar heeft het hof geen overweging aan gewijd.

Feitenrechters

De Rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:​RBROT:2017:10832) komt tot een bewijsuitsluiting in een zaak waarin onder meer bijna een kilo heroïne in een auto wordt aangetroffen. In deze zaak zien verbalisanten een verdachte zenuwachtig op straat heen en weer lopen en omdat op deze locatie met enige regelmaat wordt ingebroken, besluiten ze de verdachte staande te houden en te vragen naar zijn identiteitsbewijs. De verdachte heeft geen identiteitsbewijs, maar geeft wel zijn persoonsgegevens. Na controle komen de verbalisanten erachter dat deze gegevens kloppen en de identiteit dus is vastgesteld. Desondanks wordt de verdachte alsnog onderworpen aan een identiteitsfouillering, waar een autosleutel wordt aangetroffen. In de bij de sleutel passende auto treffen de verbalisanten de verdovende middelen aan. De rechtbank overweegt dat de verbalisanten geen fouillering hadden mogen uitvoeren, omdat een degelijke identiteitsfouillering (art. 55b Sv) juist in het leven is geroepen om een identiteit vast te stellen. Nergens blijkt uit dat zij twijfelden over de juistheid van de door hem verstrekte gegevens en zij kenden de identiteit al. Dit leidt tot een bewijsuitsluiting, waarbij de rechtbank overigens nalaat de vereisten van artikel 359a lid 2 Sv na te lopen (belang geschonden voorschrift, ernst verzuim en nadeel dat daardoor is veroorzaakt). 

Een zaak waarin die vereisten wel uitgebreid worden besproken, is er een van de politierechter in Den Haag waarin tevens tot een bewijsuitsluiting wordt gekomen (ECLI:NL:​­RBDHA:2018:3319).In deze zaak wordt een verdacht staande gehouden zonder kenbare reden. Vervolgens moet verdachte mee naar het bureau om openstaande boetes te voldoen (zonder te worden aangehouden). Omdat zijn rijbewijs ook was ingevorderd, rijden de agenten zijn auto naar het bureau. Vervolgens besluit een van de verbalisanten de auto te doorzoeken, naar eigen mening wegens ‘zaakswaarneming’. Daarin worden 4.000 kamagra-pillen aantroffen. De politierechter oordeelt dat er op het moment geen sprake was van een verdenking en derhalve dat de doorzoeking onrechtmatig is geweest. Ook voor de zaakswaarneming was geen enkele aanleiding en dit had achterwege moeten blijven. De politierechter oordeelt dat voorschriften voor doorzoekingen en staandehoudingen er niet voor niets zijn en dat deze tot doel hebben burgers te beschermen tegen willekeurig optreden van de politie. Ook overweegt de politierechter dat het erop lijkt dat de kofferbak grondig is doorzocht terwijl dat niet is geverbaliseerd. Dat raakt dus ook het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. In samenhang bezien leidt dit tot een bewijsuitsluiting en dus vrijspraak. 

Een laatste interessante uitspraak in dit kader is er een van de Rechtbank Oost-Brabant (ECLI:NL:RBOBR:​2018:4158). Ondanks een serieuze verdenking (96 kilo hennep, 7 kilo hasj, een stroomstootwapen en een vuurwapen plus 49 patronen) wordt de verdachte integraal vrijgesproken. In deze zaak gaan twee verbalisanten naar het huis van de verdachte omdat hij zich als bestuurder van een voertuig zonder geldige apk kort daarvoor zou hebben onttrokken aan een verkeerscontrole. Deze verbalisanten zien de man in zijn tuin staan en vragen hem zich te legitimeren. De man geeft aan dat hij dit binnen even moet pakken. Een van de verbalisanten geeft aan dat zij dan wel met hem meelopen, waarop de man kenbaar maakt dat niemand zijn woning in mag. Hierop wordt hem medegedeeld dat als hij de woning in wil gaan er iemand van de politie mee zal lopen en dat hij zal worden aangehouden ter zake het niet op eerste vordering overgeven van legitimatie als hij dat niet toestaat. De man geeft aan dat hij niet aangehouden wil worden en dat ze daarom wel mee mogen lopen. De rechtbank overweegt dat verbalisanten niet beschikten over een schriftelijke machtiging tot binnentreden van de woning en dat er geen schriftelijke toestemmingsverklaring van verdachte in het dossier zit. Doordat de verdachte voor de keuze is gesteld om dan wel aangehouden te worden, dan wel toe te staan dat de verbalisanten zijn huis zouden betreden, is een zodanige druk op hem uitgeoefend dat niet gezegd kan worden dat de toestemming in volledige vrijheid is gegeven. Geoordeeld wordt dat hier sprake is van schending van een belangrijk strafvorderlijk voorschrift ter bescherming van het grondwettelijk gewaarborgde huisrecht. Mede om toekomstige vergelijkbare vormverzuimen te voorkomen, wordt er tot bewijsuitsluiting geoordeeld en wordt derhalve de verdachte integraal vrijgesproken. Daarbij wordt nog overwogen dat het nadeel dat de toepassing van bewijsuitsluiting heeft voor de op zichzelf zwaarwegende maatschappelijke belangen van waarheidsvinding en bestraffing worden gematigd doordat de in beslag genomen illegale goederen uit het maatschappelijk verkeer zijn genomen. 

Niet-ontvankelijkheid OM

De niet-ontvankelijkheid van het OM is afgelopen jaar zowel uitgesproken in zaken waarin sprake was van een onherstelbaar vormverzuim als in gevallen dat er andere vervolgings­beletselen aanwezig waren.

Onherstelbaar vormverzuim (art. 359a Sv) 

In een zaak waarin meerdere verdachten terechtstaan voor een woningoverval met dodelijke afloop, wordt in een van de zaken het OM niet-ontvankelijk verklaard (ECLI:​NL:RBNNE:​2018:1261). In deze zaak wordt door de rechtbank vastgesteld dat de officier van justitie bewust een proces-verbaal heeft ingebracht, terwijl zij wist dat hierin feitelijke onjuistheden stonden. De rechtbank stelt vast dat door het inbrengen van de onjuiste verklaring de verdachte ten onrechte een tijd in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Door het misleidend handelen van de officier is de kern van het strafproces geraakt. Een ambtsedig proces-verbaal vormt immers, gelet op de bewijswaarde daarvan, in het strafproces vaak een cruciale rol en alle procespartijen dienen zonder meer op de juistheid van een degelijk proces-verbaal te kunnen vertrouwen. Daaraan wordt door het voegen van het proces-verbaal aan het dossier afbreuk gedaan. Gelet daarop en gelet op de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een ernstig vormverzuim, waarbij een zodanige ernstige inbreuk op beginselen van een behoorlijke procesorde en de grondslagen van het strafproces is gemaakt dat daardoor doelbewust tekort is gedaan aan de belangen van verdachte op een eerlijk proces. Ondanks de ernst van het feit en de eis van de officier (twaalf jaar) wordt het OM niet-ontvankelijk verklaard. Het OM is in hoger beroep gegaan. In de andere zaken leidt dit niet tot een niet-ontvankelijkheid, onder andere omdat er geen sprake is van een concreet nadeel voor de verdachte (zie o.a. ECLI:NL:RBNNE:2018:1258). Wel wordt de bewuste verklaring in die zaken uitgesloten als bewijsmiddel en leidt dit tot strafvermindering (zie hierna). 

Strafvermindering

In de reeds besproken woningoverval met dodelijke afloop wordt in de overige zaken tot bewijsuitsluiting van het valse proces-verbaal geoordeeld en komt de rechtbank tot een aanzienlijke strafvermindering (zie o.a. ECLI:NL:RBHNO:2018:1258). Het door de officier van justitie toevoegen van een vals proces-verbaal leidt niet tot niet-ontvankelijkheid omdat er geen sprake is van concreet nadeel voor de verdachte. De rechtbank veroordeelt deze verdachte voor een bedrijfsinbraak en een overval met dodelijke afloop. Er wordt in het vonnis overwogen dat een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar passend en geboden zou zijn, maar dat het handelen van politie en justitie dusdanig ernstig is dat naast de bewijsuitsluiting ook strafvermindering wordt toegepast. Om die reden krijgt de verdachte een gevangenisstraf van zes jaar opgelegd. 

De Rechtbank Den Haag (ECLI:NL:​RBDHA:2018:11648) oordeelt in een Opiumwetzaak dat er bij de start van het onderzoek geen sprake was van een redelijke vermoeden van schuld. Op basis van de informatie die daaraan ten grondslag is gelegd, is namelijk eerder geoordeeld dat deze verdachte niet meer als verdachte kon worden aangemerkt. Ook de aanvullende TCI-informatie is daarvoor onvoldoende, omdat daarin niet de naam van de verdachte wordt genoemd. De rechtbank is daarom van oordeel dat bijzondere opsporings­middelen zijn ingezet zonder dat er sprake was van een redelijk vermoeden. Het levert de verdachte een korting op van zes maanden gevangenisstraf (van 48 naar 42 maanden). 

De Rechtbank Amsterdam oordeelt (ECLI:NL:RBAMS:2018:5565) dat er onrechtmatig is binnengetreden omdat verbalisanten zich voorafgaand aan het vragen van toestemming om binnen te treden, niet hebben gelegitimeerd, noch mededeling van hun doel hebben gedaan. Om die reden wordt er een korting toegepast van twee weken (van twaalf naar tien weken). 

In een arrest van het Hof-Arnhem Leeuwarden (ECLI:NL:​GHARL:2018:5947) speelt de vraag of de wijze van aanhouding tot strafvermindering dient te leiden. In deze zaak wordt de verdachte namelijk aangereden door de dienstwagen waardoor hij een enkelfractuur oploopt. Deze agenten worden integraal vrijgesproken in de strafzaak naar aanleiding van dit incident. Om die redenen meent het hof dat conform de Ambtsinstructie en ­Politiewet is gehandeld. Desalniet­temin past het hof wel een strafkorting van drie maanden toe (van acht naar vijf maanden) doordat hij dit letsel door toedoen van de politie heeft ­o­pgelopen.

Andere vervolgingsbeletselen

Redelijke termijn

De Rechtbank Limburg (ECLI:NL:​RBLIM:2018:10035) verklaart het OM niet-ontvankelijk wegens een schending van de redelijke termijn, ondanks de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat ook in uitzonderlijke gevallen daar geen ruimte voor bestaat (ECLI:NL:HR:2008:BD2578). De verdachte staat terecht voor onder andere een poging tot doodslag. De rechtbank constateert dat ten tijde van de behandeling sinds de pleeg­datum twee jaar en elf maanden zijn verstreken. De officier laat op zitting weten dat in eerste instantie een voorwaardelijk sepot is aangeboden met een hulpverleningstraject maar dat de verdachte hier niet mee akkoord is gegaan en dat de zaak nu alsnog wordt aangebracht om hulpverlening in te kunnen kaderen. De rechtbank vindt dat de verdachte vervolgens ‘onaanvaardbaar lang’ heeft moeten wachten hetgeen wat tot het uitspreken van de niet-ontvankelijkheid. 

Een verdachte bij het Gerechtshof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:​2018:1713) lijkt mazzel te hebben, want het hof verklaart het OM niet-ontvankelijk omdat zijn dossier is zoekgeraakt en ondanks vergeefse pogingen dit niet meer boven water is gekomen. 

Ontbreken klacht

Een pareltje is een arrest van het Gerechtshof Den Haag (ECLI:NL:​GHDHA:2018:2077). Het gaat hier om (gekwalificeerde) belediging van politieagenten. Het hof oordeelt, gelet op de Ambtsinstructie, dat een verdachte onder andere kan worden geboeid als er sprake is van gevaar voor ontvluchting, veiligheid van een ambtenaar dit vereist enzovoort. Uit het proces-verbaal blijkt niet van zulke omstandigheden zodat het hof oordeelt dat het aanleggen van de handboeien onrechtmatig is geweest waardoor de verbalisanten niet in de rechtmatige uitoefening van hun bediening waren. Daardoor kan er niet van gekwalificeerde belediging sprake zijn, maar louter van eenvoudige behandeling hetgeen een klachtdelict is. Nu er geen klacht is ingediend, wordt het OM niet-ontvankelijk verklaard. 

Alcoholslot nabrander

In een zaak waarin aan een verdachte reeds het Alcoholslotprogramma is opgelegd, ziet het Hof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2018:598) zich voor de vraag gesteld of de jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:​HR:2015:434) ook geldt als de uitvoering van het programma van overheidswege is beëindigd en de verplichting tot deelname is vervallen. De beantwoording is sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In casu heeft de bestuurder ruim drieënhalf jaar niet over zijn rijbewijs kunnen beschikken, wat niet meer kan worden hersteld. Ook dan is vervolging in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde wat leidt tot het uitspreken van de niet-ontvankelijkheid van het OM. 

Voorlopige hechtenis

De huidige praktijk van de voorlopige hechtenis in jeugdzaken ligt onder vuur. Begin dit jaar promoveerde de heer Van den Brink op het proefschrift met de titel ‘Voorlopige hechtenis in het Nederlands jeugdstrafrecht’.[3] Een belangrijke bevinding uit het proefschrift belichtte hij – vooruitlopend op zijn promotie – op 25 januari 2018 in het NRC. In dat krantenbericht met de titel ‘Rechten jongeren in geding bij voorlopige hechtenis’4 legt hij uit dat de voor­lopige hechtenis jeugdzaken onzuiver wordt toegepast. Het geniet de voorkeur van rechters om de voorlopige hechtenis jeugdzaken onder voorwaarden te schorsen. Daarvoor moet de voorlopige hechtenis natuurlijk eerst worden bevolen. Van den Brink stelt dat de praktijk zo is ‘dat rechters zo graag kiezen voor die optie van voorwaardelijke vrijheid, dat ze bereid zijn de gronden voor voorlopige hechtenis opvallend ruim te interpreteren’. De bescherming van minderjarige verdachten tegen onrechtmatige en willekeurige toepassing van voorlopige hechtenis in het huidige systeem is derhalve niet optimaal gewaarborgd, aldus Van den Brink. Ten slotte geeft hij een aanzet tot het ontwikkelen van een model van voorlopige preventieve maatregelen om het schorsings­model te vervangen. In zijn brief van 6 maart 2018 reageert de Minister voor Rechtsbescherming dat alternatieven voor voorlopige hechtenis worden onderzocht en de belangrijke bevindingen uit het proefschrift worden betrokken bij de wetgevingsoperatie om het Wetboek van Strafvordering te moderniseren.

Bijzondere opsporings­bevoegdheden

Er is nogal wat nieuwe wetgeving geïntroduceerd of in opkomst die uitbreiding van de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden tot gevolg heeft. Aangenomen en gepubliceerd maar nog niet in werking getreden is het wetsvoorstel Computercriminaliteit III, dat opsporingsdiensten onder andere de bevoegdheid geeft om – na toestemming van de officier van justitie  – computers te hacken ten behoeve van een opsporingsonderzoek (art. 126nba Sv). Wel per 1 mei inwerking getreden is de Wet Uitvoering bijzondere opsporingsbevoegdheden5 die ook de Marechaussee en bijzondere opsporingsdiensten als de FIOD-ECD en de Inspectie SZW mogelijkheden geeft om BOB-bevoegdheden in te zetten, zoals het tappen van telefoons en het inzetten van een infiltrant. Door dezelfde wet is het met de introductie van artikel 126nda Sv voor opsporingsdiensten gemakkelijker geworden om camerabeelden te vorderen en kan de rechter-commissaris tapmachtigingen voortaan op naam afgeven (art. 126m lid 5 en 126t lid 5 Sv), dit om de omvangrijke papierwinkel bij BOB-aanvragen terug te dringen.

Getuigen (horen en oproepen)

Elk jaar zijn er nieuwe uitspraken te melden over het horen en oproepen van getuigen. Dit jaar was er bijvoorbeeld een belangrijk arrest van de Hoge Raad over de vraag of het hof ambtshalve twee getuigen had moeten oproepen in het kader van het recht op een eerlijk proces (ECLI:NL:HR:2018:1055). Toch parkeren wij de nationale uitspraken dit jaar, om twee arresten van het EHRM te bespreken: de zaken Cabral t. Nederland (­ECLI­:​CE:ECHR:2018:0828JUD003761710) en Breijer t. Nederland (ECLI:CE:​ECHR:2018:0703DEC004159613). 

In de zaak Cabral t. Nederland werd een schending van artikel 6 EVRM aangenomen. De beslissende getuige werd in appel gehoord maar weigerende een verklaring af te leggen over de betrokkenheid van Cabral bij roofovervallen. In eerste aanleg had deze getuige een ontlastende maar (mogelijk) ongeloofwaardige verklaring afgelegd. Het EHRM kwam tot een schending van artikel 6 EVRM. De verdediging heeft onvoldoende gebruik kunnen maken van het ondervragingsrecht in appel nu de getuige weigerende te antwoorden. De verdediging werd hiervoor onvoldoende gecompenseerd. 

In de zaak Breijer t. Nederland werd geen schending van artikel 6 EVRM aangenomen. Ook daar wilde een beslissende getuige geen verklaring afleggen over een drugsdeal. Volgens het EHRM had hij daarvoor een goede en door de verdediging onweersproken reden (bedreiging vanuit het milieu/criminele organisatie). Bovendien vond het EHRM dat voldoende steunbewijs aanwezig was om zonder schending van artikel 6 EVRM tot een veroordeling te komen.

Wederrechtelijk verkregen voordeel

In Hoge Raad 10 juli 2018 (ECLI:NL:​HR:2018:1160) werd in cassatie geklaagd dat het hof ten onrechte had afgewezen het verzoek van de verdediging tot het doen plaatsvinden van een schriftelijke voorbereiding als bedoeld in artikel 511g lid 2 aanhef en onder b Sv. Op een dergelijk verzoek dient ter terechtzitting te worden beslist, nadat het Openbaar Ministerie daaromtrent is gehoord. De rechter is niet gehouden een schriftelijke voorbereiding toe te staan, maar kan daartoe beslissen als dat naar zijn oordeel bijdraagt aan een doelmatig verloop van de ontnemingsprocedure. Voornoemd oordeel is volgens de Hoge Raad sterk verweven met aan de feitenrechter voorbehouden waarderingen van feitelijke aard over bijvoorbeeld het procesverloop en de aan het onderzoek ten grondslag liggende gronden. Dat oordeel kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst. De Hoge Raad oordeelt dat het middel faalt, nu het oordeel van het hof dat in het onderhavige geval een schriftelijke voorbereiding niet bijdraagt aan een doelmatig verloop van de ontnemingsprocedure, niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is. 

De Hoge Raad beoordeelde bij arrest van 12 juni 2018 (ECLI:NL:​HR:2018:1768) het arrest van het Gerechtshof Den Haag, waarbij het hof het aangetekende mondeling vonnis van de politierechter bevestigde. In dat geval geldt in beginsel dat geen aanvulling van gronden nodig is. Tenzij in hoger beroep door de verdediging anders is bepleit, dat wil zeggen: niet in bekennende zin is verklaard of vrijspraak is bepleit. In dat geval dient bevestiging te geschieden met aanvulling van gronden. In casu had de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep de gevolgtrekkingen uit het financieel rapport en de daaraan ten grondslag liggende feiten en omstandigheden voldoende gemotiveerd betwist en primair afwijzing van de ontnemingsvordering bepleit. De Hoge Raad oordeelde dat het hof in dit geval niet had kunnen volstaan met de enkele bevestiging van het mondeling vonnis en een aanvullende bewijsoverweging, maar had de inhoud van de bewijsmiddelen in (de aanvulling op) het arrest moeten opnemen. De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is door het hof ontoereikend gemotiveerd, aldus de Hoge Raad. 

In Hoge Raad 13 maart 2018 (ECLI:NL:​HR:2018:341) werd in cassatie geklaagd dat het hof de betalingsverplichting heeft opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dat is verkregen uit een feit waarvan de betrokkene is vrijgesproken. In de aan de ont­nemingszaak ten grondslag liggende strafzaak ziet de bewezenverklaring op het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 2.476 hennepplanten in de periode van 22 juli 2009 tot en met 22 juli 2010. De betrokkene was in de hoofdzaak vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken van een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 2.476 hennep­planten in die periode. De verdediging had het standpunt ingenomen dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ingevolge artikel 36e Sv slechts mag bestaan uit baten van het opzettelijk aan­wezig hebben van de hennepplanten. Volgens de verdediging wordt de weg voor het ontnemen van voordeel uit een eventuele hennepoogst afge­sneden door de door het hof gegeven vrijspraak voor het telen, bereiden, bewerken en/of verwerken van hennep. De (partiële) vrijspraak in onderhavige strafzaak was technisch van aard, aangezien aan de veroordeelde niet het medeplegen dan wel medeplichtigheid aan of bij het telen van de hennep ten laste was gelegd. Het hof oordeelde dat de vrijspraakoverweging daarom niet in de weg staat aan het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel dat is genoten aan uit een ander strafbaar feit dan het bewezen verklaarde, zolang daaromtrent tenminste voldoende aanwijzingen bestaan. Het hof oordeelde dat dit in casu het geval was. De Hoge Raad casseerde de uitspraak van het hof en stelt dat het hof kennelijk de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft gebaseerd op ‘andere strafbare feiten’ als bedoeld in artikel 3 e lid 2 Sr. Kennelijk heeft het hof oog gehad op ‘soortgelijke feiten’ als bedoeld in artikel 36e lid 2 (oud) Sr. Echter, de betrokkene was in de hoofdzaak vrijgesproken voor het telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken van de hennep. Het hof heeft derhalve ten onrechte bij de beoordeling van de ontnemingsvordering betrokken het aan de vrijspraak gerelateerde voordeel (vgl. HR 9 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF0090, NJ 2008/497). De omstandigheid dat er kennelijk sprake is geweest van een technische vrijspraak doet hier volgens de Hoge Raad niet aan af. 

Tot slot, Hoge Raad 18 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1690). De Hoge Raad casseert in deze zaak wegens een gebrek in de motivering van het Gerechtshof Arnhem-­Leeuwarden van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het Hof had dit bedrag vastgesteld op 58.640,14 euro. Het hof had het wederrechtelijk verkregen voordeel in zijn geheel aan betrokkene toegerekend, aangezien het beweerde aandeel van 30 procent niet aannemelijk was geworden. Dat oordeel is volgens de Hoge Raad niet zonder meer begrijpelijk, aangezien uit de bewijsmiddelen blijkt dat er ook betrokkenheid is geweest van een of meer anderen bij de aangetroffen hennepkwekerij en hetgeen daaromtrent door en namens de betrokkene ter terechtzitting was aangevoerd. 

Rechter-commissaris: onderzoek en dossier

Het verrichten van onderzoekshandelingen en het horen van getuigen

Op 13 december 2017 heeft de Rechtbank Gelderland een beschikking gewezen naar aanleiding van een bezwaarschrift ex artikel 182 lid 6 Sv tegen de afwijzende beslissing van de rechter-commissaris om in aanwezigheid van de verdediging twee minderjarigen te horen (ECLI:NL:​RBGEL:2017:6453). De verdediging heeft een beroep gedaan op artikel 6 EVRM en heeft zich op het standpunt gesteld dat het in het belang van de kinderen en van de waarheidsvinding is dat de kinderen slechts eenmaal worden gehoord. Indien zij meermalen worden gehoord, bestaat het risico van (bewuste of onbewuste) beïnvloeding door derden. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat getuigen die eenmaal zijn gehoord, niet snel genegen zijn op een eerdere verklaring terug te komen. 

De raadkamer stelt vast dat in de strafzaak op voet van artikel 182 Sv de tussenkomst van de rechter-commissaris is ingeroepen, zodat deze in ieder geval enige bemoeienis heeft met het opsporingsonderzoek. De bedoeling van de wettelijke regeling is onder meer om het voorbereidend onderzoek in strafzaken zodanig te laten zijn dat de zaak bij aanvang van het onderzoek ter terechtzitting zo veel mogelijk klaar is voor een inhoudelijke behandeling en afdoening. Het principiële standpunt van de officier van justitie dat de zaak zich nog in de opsporingsfase bevindt en de rechter-commissaris daarin geen rol heeft, gaat daarom niet op. Dat laat onverlet dat de officier van justitie de leiding van het opsporingsonderzoek blijft houden. 

De raadkamer beslist dat onderhavige zaak een bijzondere zaak is, nu het gaat om zeer jonge kinderen die een belangrijke rol kunnen spelen bij de inhoudelijke beoordeling van de strafzaak. Hun verklaringen zullen wellicht moeten worden aangemerkt als ‘decisive’, waardoor het van groot belang kan zijn deze getuigen reeds in het voorbereidend onderzoek te horen (EHRM 15 december 2015, 9154/10, Schatsachschwili/Duitsland). Vanwege de omstandigheid dat het horen waarschijnlijk een traumatische ervaring oplevert, is het niet zonder meer gegeven dat een tweede verhoor in een verhoorstudio, met ditmaal de raadsman aanwezig, tot de mogelijkheden behoort zonder dat het welzijn of de gezondheid van de kinderen daaronder lijdt. De achterliggende gedachte van het EHRM in voornoemde zaak is om die reden volgens de raadkamer ook hier van toepassing. Zodoende verklaart de raadkamer het bezwaarschrift gegrond. Het verhoor zal onder regie van de rechter-commissaris plaatsvinden, met aanwezigheid van de raadsman. 

Op 1 januari 2018 heeft de rechter-commissaris van de Rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:​2018:8017) een beschikking gewezen over een vordering van de officier van justitie tot het verrichten van onderzoekshandelingen ex artikel 181 lid 1 Sv. Die vordering had de strekking dat de rechter-commissaris de politie de opdracht zou geven de inhoud van een web-e-mailaccount te bekijken. Hoewel artikel 177 lid 1 Sv de rechter-commissaris een ongeclausuleerde mogelijkheid geeft om opsporingshandelingen op te dragen aan anderen dan de officier van justitie, betekent dat niet dat hiermee een ongelimiteerde bevoegdheid van de rechter-commissaris wordt gecreëerd die alle waarborgen die in afzonderlijke bepalingen met betrekking tot opsporing en bijzondere opsporingsmethoden zijn opgenomen, opzijzet. Artikel 177 lid 1 Sv geeft de rechter-commissaris de bevoegdheid instructies te verstrekken aan een opsporingsambtenaar. De bepaling moet zo worden begrepen dat zij de rechter-commissaris bevoegd maakt onderzoek op te dragen waartoe de betreffende opsporingsambtenaar zelf al bevoegd is. 

Een specifieke wettelijke grondslag ontbreekt in casu. Wanneer de algemene opsporingsbevoegdheid deze grondslag biedt, is betrokkenheid van de rechter-commissaris in beginsel niet nodig. In het ‘smartphone­arrest’ (ECLI:NL:HR:2017:584) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de bevoegdheid tot inbeslagneming van voorwerpen en daarin besloten de bevoegdheid tot het verrichten van onderzoek aan die voorwerpen op grond van artikel 104 lid 1 Sv kan worden uitgeoefend door de rechter-commissaris, indien de inbeslagneming geschied door een opsporingsambtenaar. Daaruit zou – volgens de Rotterdamse rechter-commissaris – in het algemeen kunnen worden afgeleid dat een algemene wettelijke bevoegdheid van een gewone opsporingsambtenaar aan een vorm van toezicht door de officier van justitie is onderworpen als deze een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt, of aan een vorm van toezicht door de rechter-commissaris als op voorhand te voorzien is dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zeer ingrijpend zal zijn. Nu de Hoge Raad slechts oordeelt over onderzoek aan in beslag genomen voorwerpen en de Hoge Raad geen wetgever is, moet behoedzaam met dit oordeel worden omgegaan. De conclusie die vervolgens in de beschikking wordt getrokken, is dat het lezen van e-mails niet valt onder het begrip ‘zeer ingrijpende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer’. Als er een vorm van toezicht nodig is, is het aldus niet de rechter-commissaris die dat moet uitvoeren. Ook wanneer zou moeten worden gegaan van een jurisprudentieel voorgeschreven toezicht op de uitoefening van een bestaande, algemene, wettelijke bevoegdheid, moet de vordering worden afgewezen, omdat de officier van justitie zelf bevoegd is. De vordering wordt aldus afgewezen. 

In artikel 186a lid 1 Sv is voor de verdediging de bevoegdheid neergelegd verhoren van de rechter-commissaris bij te wonen, tenzij het belang van het onderzoek dit verbiedt of wanneer het onderzoek daarvoor wordt opgehouden (artikel 186a lid 3 Sv jo artikel 186 lid 3 Sv). Een rechter-commissaris die echter de beslissing nam een verzoek van de raadsvrouw tot uitstel van een getuigenverhoor omdat zij de griep had niet te honoreren, werd met succes gewraakt (Rechtbank Rotterdam 9 februari 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:1830). Het in de wet en het EVRM verankerde recht van de verdediging om aanwezig te zijn bij getuigenverhoren en om die getuigen vragen te doen stellen, dient het belang van de verdediging, omdat het verkrijgen van een persoonlijke indruk van de getuige, het direct kunnen aanhoren van en inspringen op de antwoorden op bevraging, het waarnemen van de non-verbale communicatie van de getuige en het kunnen uitvoeren van een tevoren bedachte vraagstrategie wezenlijk kunnen zijn voor de procespositie van de verdachte. De mogelijkheid om voorafgaand aan het getuigenverhoor de te stellen vragen op te geven, is slechts een subsidiaire mogelijkheid en is steeds ter beslissing van de verdediging (r.o. 3.8). Daarnaast doet een tweede verhoor van de getuige – zoals later door de rechter-commissaris aangeboden – minder recht aan het verdedigingsbelang. Dat de verdediging bij het eerste verhoor geen vragen heeft kunnen stellen, is immers niet terug te draaien. Daar komt bij dat een eenmaal door de getuige afgelegde verklaring invloed kan hebben op de houding van de getuige in het verdere proces. 

Overig

Op 7 september 2018 heeft de wrakingskamer van de Rechtbank Den Haag zich uitgelaten over de werkwijze van het kabinet van de rechter-commissaris die eruit bestaat dat een reactie van de officier van justitie op het verzoek van de verdediging een regiebijeenkomst ex artikel 185 Sv te organiseren, pas wordt doorgestuurd aan de raadsman wanneer de rechter-commissaris een beslissing heeft genomen (ECLI:NL:​RBDHA:2018:10934). Die werkwijze is volgens de wrakingskamer, met het oog op het beginsel van hoor en wederhoor, op zichzelf merkwaardig. Hiermee wordt de verdachte de mogelijkheid (geen recht) ontnomen om te reageren op het standpunt van de officier van justitie. Deze processuele beslissing vormt in principe geen grond voor wraking. Van een beslissing die zo onbegrijpelijk is dat die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker vooringenomen koestert, is in casu geen sprake. Het wrakingsverzoek wordt afgewezen.

Rechtsmiddelen

Perikelen

Een advocaat vermeldt zijn kantooradres in een schriftelijke volmacht aan de griffiemedewerker tot het instellen van hoger beroep, als het adres waarnaar een afschrift van de appeldagvaarding kan worden gestuurd. Moet op grond van artikel 588a Sv dat afschrift inderdaad naar dat kantooradres, ondanks dat de verdachte daar niet woont? Nee, vond de Hoge Raad in 2015. Maar toch wel, als er geen verblijfplaats van de verdachte bekend is, de appeldagvaarding aan de griffie is betekend, en de verdachte of een advocaat in hoger beroep niet op zitting verschijnen, oordeelt nu de Hoge Raad in ECLI:HR:NL:2017:3190. Wellicht dat de niet te traceren verdachte op die manier toch nog van de zitting op de hoogte komt.

Omvang cassatie

Een belangrijke ontwikkeling dit jaar voor het behandelen van zaken in cassatie (en na terugwijzing daarvan in hoger beroep). Tot nu toe pleegde de Hoge Raad het door de verdachte onbeperkt ingestelde cassatieberoep ambtshalve te beperken tot de voor de verdachte belastende beslissingen. Er werd dus gehandeld alsof er geen cassatie was ingesteld tegen gunstige beslissingen, zoals vrij­spraken. Deze praktijk behoefde volgens de Hoge Raad heroverweging. Uit ECLI:NL:HR:2018:507 blijkt dat de Hoge Raad vanaf 1 juli 2018 in zaken met meerdere, cumulatief ten laste gelegde feiten het door de verdachte zonder enige beperking ingestelde beroep in cassatie niet meer ambtshalve beperkt tot de verdachte belastende beslissingen. Als geen gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid om het beroep partieel in te stellen of partieel in te trekken, dan moet ervan worden uitgegaan dat dit berust op een weloverwogen keuze. Die keuze moet de verdachte (met diens advocaat) dus ook weloverwogen maken, bijvoorbeeld om te voorkomen dat gunstige beslissingen na een geslaagde cassatie toch weer voorliggen aan het hof (met het risico op een andere afloop). 

ECLI:NL:HR:2018:1947 is minder van belang voor de verdediging, maar voor de cassatieadvocaat toch goed om te onthouden. Anders dan de verdachte kan volgens de Hoge Raad het OM in cassatie wel vragen het ontnemingsarrest van het hof te vernietigen met de enkele klacht dat ook het strafarrest moet worden vernietigd. Het ontbreekt anders het OM aan de mogelijkheid dat ontnemingsarrest open te breken, nadat het bijvoorbeeld vrijsprekende arrest in de onderliggende strafzaak in cassatie is vernietigd. Voor de verdachte bestaan dergelijke waarborgen wel, bijvoorbeeld in de vorm van een verzoekschrift ex artikel 577b Sv. 

In ECLI:NL:HR:2018:551 bevestigde de Hoge Raad dat een cassatieberoep niet meer kan worden ingetrokken nadat de advocaat-generaal conclusie heeft genomen. In dit artikel 80a-tijdperk zou zo’n tardieve intrekking blijk kunnen geven van een (zelf ingeschat) gebrek aan belang bij cassatie, met mogelijk niet-ontvankelijkheid tot gevolg. Blijkens deze grote kamer-uitspraak wil de Hoge Raad deze weg echter niet inslaan. Stand van zaken blijft dus dat zo’n te late intrekking wordt genegeerd en de zaak gewoon wordt beoordeeld. Opmerkelijk genoeg was in deze zaak het cassatieberoep gegrond en moet nu dus de verdachte tegen wil en dank opnieuw terechtstaan in hoger beroep.

Termijnoverschrijding

Twee arresten over de ‘mededeling uitspraak’ die in sommige gevallen moet volgen na een verstekveroordeling, en die na betekening in persoon de appeltermijn doet aanvangen. Artikel 366 lid 4 Sv geeft recht op een vertaling van die mededeling als de verdachte het Nederlands niet machtig is. Maar wanneer is iemand het Nederlands niet machtig, en wordt een termijnoverschrijding verschoonbaar? Bij die vraag mag de rechter kijken naar de mate waarin de verdachte in zijn politieverhoor de taal bleek te beheersen (ECLI:NL:​HR:2018:1888). 

In alle gevallen moet die mededeling uitspraak wel meer bevatten dan alleen een parketnummer. Anders dan het hof oordeelde, hoeft de verdachte na de ontvangst van zo’n gebrekkig document dus niet zelf naar de griffie te bellen om te achterhalen wat er achter dit parketnummer schuilgaat (ECLI:NL:HR:2018:746).

Verschoningsrecht

Reikwijdte professionele verschoningsrecht (art. 218 Sv)

Ten aanzien van het verschoningsrecht dient te worden benoemd een arrest van de Hoge Raad van 10 april 2018 (ECLI:NL:HR:2018:553). De Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen uit een arrest van 1990 (civiele kamer) met betrekking tot de reikwijdte van het verschoningsrecht van een arts. De verwijzing van de Hoge Raad naar dit relatief oude arrest benadrukt de consistente rechtsopvatting van de Hoge Raad over de beoordeling van de reikwijdte van het verschoningsrecht van een arts. Maar de Hoge Raad past die beoordeling wel naar kenmerken van de huidige maatschappij, in dit geval camerabeelden, die onmiskenbaar van belang zijn in elk strafrechtelijk onderzoek. Centrale vraag in dit arrest was of camerabeelden van de wachtruimte en toegangspaden tot de afdeling Spoedeisende Hulp van een ziekenhuis onder het verschoningsrecht van een arts vallen. Onderhavige zaak betrof een beklagzaak tegen de inbeslagname van deze camerabeelden. Het klaagschrift was ingediend door het ziekenhuis, maar aan dit ziekenhuis kwam een afgeleid verschoningsrecht toe onder verwijzing naar de aan het ziekenhuis verbonden arts. De rechtbank oordeelde in deze beklagprocedure dat die specifieke camerabeelden niet kunnen gelden als wetenschap die aan een arts in het kader van zijn beroepsuitoefening is toevertrouwd ex artikel 218 Sv en derhalve ook niet onder het afgeleide verschoningsrecht van de klaagster vallen. Dit in tegenstelling tot de Hoge Raad. De Hoge Raad stelt vast dat camerabeelden waaruit de identiteit van de patiënt of het bestaan van een (toekomstig) arts een hulpverleningsrelatie af te leiden valt, omdat zij een bezoek brengen aan bepaalde artsen of aan een bepaalde behandelafdeling van een ziekenhuis en herkenbaar in beeld zijn gebracht, onder het verschoningsrecht van een arts kunnen vallen. Aangezien de klaagster een afgeleid verschoningsrecht toekomt, kunnen deze beelden derhalve ook onder het verschoningsrecht van de klaagster vallen. De omstandigheid dat op de desbetreffende camerabeelden ook bezoekers en begeleiders te zien zijn en dat de plaatsen waar de camerabeelden zijn gemaakt voor eenieder toegankelijk zijn, maakt volgens de Hoge Raad dit oordeel niet anders. 

In een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 17 april 2018 (ECLI:NL:RBMNE:2018:1566) oordeelde de rechtbank dat de inhoud van 112-meldingen onder het verschoningsrecht vallen. In deze zaak waren er echter bijzondere omstandigheden die maakten dat het belang van de waarheidsvinding zwaarder diende te wegen dan het verschoningsrecht. Het verschoningsrecht mocht worden doorbroken. Een vader werd verdacht van het doen van een tweetal pogingen tot verwurging van zijn kind. Als uitzonderlijke omstandigheden werden aangemerkt dat het een tweetal zeer ernstige delicten betrof jegens een jong en kwetsbaar slachtoffer (‘op grond hiervan is er een zwaarwegend belang van de staat tot het doen van effectief en onafhankelijk onderzoek’). Het bewijs dat de strafbare feiten waren begaan, bestond nog enkel uit verklaring van de verdachte, terwijl de geluidsfragmenten van de meldingen meer duidelijkheid zouden kunnen geven over de omstandigheden waaronder het minderjarige slachtoffer tot tweemaal tot in het ziekenhuis was opgenomen. Zowel de voogd, de verdachte als de moeder had toestemming gegeven voor het verstrekken van de geluidsfragmenten en tot slot was van belang dat het horen van getuigen niet tot hetzelfde resultaat zou kunnen leiden als het uitluisteren van de geluidsfragmenten. 

Reikwijdte verschoningsrecht bloed- en aanverwanten (art. 217 Sv)

Tevens verdient vermelding een arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018 (ECLI: NL:HR:2018:1747). Het betreft een bewijsklacht in cassatie tegen een bewezen verklaarde diefstal in vereniging. Medeverdachten betroffen broer en zus. In cassatie werd onder meer geklaagd dat het hof ten onrechte in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal heeft betrokken dat de verdachte niet een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het kort na de diefstal voorhanden hebben van de in casu gestolen aanhangwagen, nu de verdachte zich kon beroepen op het verschoningsrecht als bedoeld in artikel 217, aanhef en onder 2°, Sv. Deze klacht berust op de opvatting dat de enkele omstandigheid dat de verdachte een persoon als bedoeld in artikel 217 Sv is, eraan in de weg staat dat de rechter in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal betrekt dat de verdachte niet een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het genoemde voorhanden hebben van een gestolen goed. Deze opvatting is volgens de Hoge Raad onjuist.

Verzoekschriften ex artikel 89 & artikel 591a Sv

Artikel 89 Sv

Het uitgangspunt bij verzoeken ex artikel 89 Sv is het overzicht van vergoedingen zoals vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Volgens de toelichting bij het overzicht wordt de dag van inverzekeringstelling ten volle meegerekend, maar de dag van vrijlating niet. Het Hof Den Bosch deelde die opvatting niet (zie bijvoorbeeld NbSr 2012/282) en telde de dag van vrijlating ook mee. Aanleiding om deze kwestie in de vorm van een cassatie in het belang der wet voor te leggen aan de Hoge Raad (NJ 2018/416; ECLI:NL:​HR:2018:1542). 

Volgens de Hoge Raad is niet in de wet geregeld volgens welke maatstaf het aantal te vergoeden dagen moet worden berekend. De rechter heeft hierin dus vrijheid, ook om (ongemotiveerd) af te wijken van de LOVS.

Artikel 591a Sv

Op 4 september 2018 wees de Hoge Raad een cassatie in het belang der wet (ECLI:NL:HR:2018:1428). A-G Vellinga besloot daartoe een vordering te doen omdat in de praktijk onduidelijkheid bestond over de vraag of een verzoek tot vergoeding van de kosten van een raadsman voor toewijzing vatbaar was indien de verzoeker die kosten niet zelf droeg maar deze werden gedragen door een derde (zoals een werkgever). 

In deze cassatie waren de kosten voor rechtsbijstand niet door een agent zelf gemaakt, maar door het politiekorps. Volgens het Hof Amsterdam was geen sprake van een situatie waarin verzoeker op enige wijze zelf de kosten van rechtsbijstand heeft moeten dragen. Het verzoek diende derhalve te worden afgewezen. 

De Hoge Raad vernietigde de beschikking van het Hof Amsterdam. Indien een zaak was geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder toepassing van artikel 9a Sr, kan ex artikel 591a lid 2 Sv aan een gewezen verdachte een vergoeding van de staat worden toegekend in de kosten van een raadsman, tenzij de raadsman was toegevoegd. Eerder besloot de Hoge Raad al gelijk­luidend in geval de kosten waren vergoed door een rechtsbijstandsverzekering als de gewezen verdachte krachtens een rechtsbijstandsverzekering op de verzekeraar een vordering tot vergoeding van die kosten heeft (ECLI:​NL:HR:1973:AB3408). Er bestond in onderhavige kwestie geen goede grond anders te oordelen als de gewezen verdachte op grond van een andere rechtsverhouding zo’n vordering heeft op een derde, bijvoorbeeld zijn werkgever. Aan toekenning van een vergoeding staat evenmin in de weg dat de rechtsbijstandskosten door die derde worden gedragen.[6]

Wet- en regelgeving

Nieuwe wetten

Op 1 januari 2018 is het nog resterende deel van de Wet langdurig toezicht in werking getreden. Een eerste deel van deze wet is een jaar eerder, begin 2017, al van kracht geworden. In de Kroniek van het voorgaande jaar is uitgebreid stilgestaan bij de wijzigingen die de Wet langdurig toezicht brengt in de toezichtfase, nadat een gedetineerde voorwaardelijk in vrijheid is gesteld of de terbeschikkingstelling voorwaardelijk is beëindigd.[7] Kort en goed is met ingang van het afgelopen jaar een uniforme regeling van kracht geworden waarbij ongeacht de algemene of bijzondere voorwaarden bij de voorwaardelijke invrijheidstelling de proeftijd minimaal een jaar bedraagt en gelijk is aan het strafrestant als die boven het jaar uitstijgt. Ook maakt een nieuw derde lid bij artikel 15c Sr een verlenging van die proeftijd met twee jaar mogelijk. Voor zeden- en zware geweldsdelinquenten kan die verlenging zelfs telkens opnieuw met twee jaar plaatsvinden wanneer het recidiverisico of het gedrag van de veroordeelde daar aanleiding toe geeft. 

Verder is in artikel 38z Sr een nieuwe gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (onder andere meldplicht, behandelverplichting, een alcohol- en drugsverbod, locatie- en contactverboden, vestigingsverbod of verhuisplicht) te vinden die door de rechter kan worden opgelegd bij de maatregel van terbeschikkingstelling of bij een veroordeling voor een zwaar geweldsmisdrijf of zedendelict tot een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf. De tijd zal moeten leren of de strafrechter van deze mogelijkheid veel gebruik gaat maken. De effecten van deze maatregel kunnen hoe dan ook pas over de nodige jaren worden gevoeld. Na oplegging van de maatregel in het veroordelend vonnis krijgt die pas effect als het Openbaar Ministerie tegen het einde van de tbs-maatregel of de gevangenisstraf een vordering tot tenuitvoerlegging bij de rechter die in eerste aanleg heeft kennisgenomen van het strafbare feit waarvoor de maatregel is opgelegd, wanneer aan een van de in artikel 38ab Sr opgenomen gronden is voldaan. 

Na enkele maanden van betrekkelijke rust is vervolgens op 1 oktober 2018 de Wet bronbescherming in strafzaken in werking getreden.[8] Sindsdien is het recht op bronbescherming van journalisten en publicisten in het Wetboek van Strafvordering verankerd en is hun positie in dat opzicht verbeterd. Zij kunnen zich op grond van artikel 218a Sv verschonen als bij de rechter-commissaris vragen worden gesteld over de identiteit van een bron of herkomst van bepaalde gegevens, tenzij het openbaar maken daarvan noodzakelijk is met het oog op de nationale veiligheid of het voorkomen of beëindigen van ernstige strafbare feiten. Ook voor de inzet van dwangmiddelen zijn strengere eisen gaan gelden. De machtiging en aanwezigheid van de rechter-commissaris zijn nu vereist voor zover (het kantoor van) een journalist of publicist daarvan het onderwerp is. Gelijktijdig met de Wet bronbescherming in strafzaken is ook de Aanwijzing toepassing dwangmiddelen en opsporingsbevoegdheden bij journalisten van kracht geworden.[9] 

Op 16 oktober 2018 is de Wet versterking strafrechtelijke aanpak terrorisme met een sneltreinvaart in werking getreden.[10] De snelheid waarmee dat gebeurde, nog geen maand nadat de Eerste Kamer met de wet had ingestemd, is ongekend.[11] Dat zal ongetwijfeld met de (gevoelde) gewichtigheid van de materie te maken hebben. De Wet versterking strafrechtelijke aanpak terrorisme voorziet allereerst in de uitbreiding van dwangmiddelen die in de eerste fase na aanhouding van een verdachte kunnen worden ingezet. Ongeacht de stevigheid van de verdenking, of met andere woorden zonder dat ernstige bezwaren zijn vereist, is het op grond van het nieuwe artikel 126zsa Sv mogelijk om celmateriaal bij een verdachte van een terroristisch misdrijf af te nemen voor DNA-onderzoek. Daarnaast is aan artikel 67 Sv een nieuw vierde lid toegevoegd op grond waarvan, naast de al bestaande mogelijkheid om ook bij het ontbreken van ernstige bezwaren de bewaring te bevelen, de gevangenhouding kan worden bevolen van een verdachte van een terroristisch misdrijf. Dit kan telkens voor de duur van tien dagen, met een maximum van dertig dagen. Deze nieuwe bepalingen bieden de politie en het Openbaar Ministerie nog meer instrumenten om terreurverdachten in de lichamelijke integriteit en vrijheid te beperken, terwijl daarvoor niet of nauwelijks verantwoording hoeft te worden afgelegd. De vraag die opdoemt, is of de enkele aard en (wellicht) ernst van het strafbare feit werkelijk voldoende rechtvaardiging vormt voor deze vergaande beperkingen van fundamentele mensenrechten. 

Wijziging van de artikelen 136 Sr en 160, eerste lid, Sv, heeft verder tot gevolg dat een aangifteplicht is gaan gelden voor alle (voorgenomen) terroristische misdrijven, ook als die geen levensgevaar opleveren. Tot slot brengt de Wet versterking strafrechtelijk aanpak terrorisme enkele veranderingen in het sanctiearsenaal dat de rechter kan toepassen bij een veroordeling voor een terroristisch misdrijf. Zo is met een veelheid aan veranderingen in het Wetboek van Strafrecht[12] en enkele bijzondere wetten[13] bewerkstelligd dat de rechter bij een veroordeling voor ongeacht welk terroristisch misdrijf tot een gevangenisstraf van ten minste een jaar als bijkomende straf de ontzetting uit het kiesrecht (art. 28, eerste lid, onder 3° Sr) kan opleggen. Ook zijn de strafmaxima verhoogd voor het belemmeren van een geautomatiseerd werk voor zover dat is gebeurd ter voorbereiding van een terroristisch misdrijf (met een derde) of dat feit met een terroristisch oogmerk is begaan (met de helft)[14] en voor mensensmokkel wanneer gepleegd met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden of te vergemakkelijken (met een derde).[15] 

Hoewel nog niet in kracht van gewijsde gegaan, mag een tweetal wetten die al door het wetgevingsapparaat heen zijn geloodst op deze plaats niet ontbreken. Ten eerste de Wet forensische zorg die op 23 januari 2018 door de Eerste Kamer is aangenomen en per 1 januari 2019 in werking zal gaan treden.[16] Deze wet dient op het eerste gezicht een nobel doel, namelijk ter voorkoming van recidive tegengaan dat gedetineerden zonder vooraf de juiste zorg gehad te hebben op straat komen te staan. Op zichzelf is toe te juichen dat de aansluiting tussen het strafrechtelijke systeem en de ggz-zorg wordt verbeterd. Zo wordt het met de Wet forensische zorg mogelijk om in elke fase van het strafrechtelijk traject te kiezen voor een behandeling in de geestelijke gezondheidszorg. Maar ook na het doorlopen van het strafrechtelijk traject en het uitzitten van een vrijheidsstraf of bij het niet verlengen van een tbs-maatregel wordt de ‘aansluiting’ met de geestelijke gezondheidszorg gewaarborgd doordat de strafrechter in het vervolg een gedwongen zorgmachtiging kan afgeven. 

Daarnaast vindt een forse uitbreiding plaats van artikel 37a Sr, waardoor de rapportagemogelijkheden bij een weigerende observandus worden vergroot. Over enkele maanden kan de officier van justitie over een weigerende observandus bij een multidisciplinaire commissie advies c.q. inlichtingen inwinnen over de aanwezigheid van (medische) gegevens in relatie tot psychische stoornissen bij de verdachte, voor inzage waarvan deze zelf geen toestemming heeft gegeven (art. 37a lid 5 Sr). Een arts of gedragskundige is op verzoek van de multidisciplinaire commissie verplicht om de gevraagde persoonsgegevens te verstrekken. Een doorbreking van de geheimhoudingsplicht dus. Wil op basis van de beschikbare gegevens over de verdachte een rapport kunnen worden opgesteld, heeft de officier van justitie wel de schriftelijke machtiging van de penitentiaire kamer nodig (lid 6), die ook de verdachte moet horen over de vordering van het OM. Tegen een afwijzende beslissing op het verzoek de gegevens te gebruiken staat voor de officier van justitie appel open, terwijl voor de verdachte niet is voorzien in een appelmogelijkheid voor zover de vordering wordt toegewezen. De procedure die ertoe kan leiden dat tegen de wil van de verdachten medische gegevens worden gebruikt voor een NIFP-rapportage in een strafzaak is weliswaar met de nodige waarborgen omkleed, maar veel middelen om het vergaren van informatie tegen te gaan en op te komen tegen de vordering van het OM die gegevens daadwerkelijk te gebruiken, staan de verdachte niet ter beschikking. 

Ook met de Wet computercriminaliteit III heeft de Eerste Kamer het afgelopen jaar, op 26 juni 2018, ingestemd.[17] Over het moment waarop de wet daadwerkelijk van kracht zal gaan worden, bestaat nog onduidelijkheid. In de Kroniek van vorig jaar is al de nodige aandacht besteed aan de inhoud van de Wet computercriminaliteit III en de stand van de behandeling van het voorstel in de Eerste Kamer.[18] Op dat moment was het wachten nog slechts op een nader memorie van antwoord en op de uiteindelijke stemming. Om die reden zal nu worden volstaan met het noemen van enkele ingrijpende wijzigingen die de Wet computercriminaliteit tot gevolg heeft. Zo worden de opsporingsbevoegdheden van de politie uitgebreid met de hackbevoegdheid (art. 126uba Sv), wordt de strafbaarstelling van grooming (artikel 248e Sr) en verleiding tot ontucht (artikel 248a Sr) uitgebreid, onder andere zodat bij de opsporing een ‘lokpuber’ kan worden ingezet en wordt het helen van (door hacken) gestolen computer­gegevens zelfstandig strafbaar (art. 139g Sr).[19] 

Wetsvoorstellen

Het wetsvoorstel Modernisering Wetboek van Strafvordering staat, evenals de voorgaande jaren, nog altijd op de politieke agenda. Het afgelopen jaar lijken er zich in dit proces geen al te noemenswaardige ontwikkelingen te hebben voorgedaan. Op verzoek van verschillende adviesorganen is een (tijdelijke) pas op de plaats gemaakt, zodat de conceptboeken 1 tot en met 6 gelijktijdig van commentaar konden worden voorzien. Alle verzochte adviezen zijn inmiddels uitgebracht en worden nu door het ministerie verwerkt. De planning is dat de conceptboeken op 1 tot en met 6 in februari 2019 als één geheel aan de Raad van State worden voorgelegd voor advies.[20] In de Kroniek van volgend jaar zal naar alle waarschijnlijkheid meer te melden zijn. 

Een onderwerp dat (haast vanzelfsprekend) ook dit jaar niet op de wetgevingsagenda mocht ontbreken, is de uitbreiding van slachtoffer­rechten. In juni 2018 is het Wetsvoorstel uitbreiding slachtofferrechten, waar minister Dekker zich hard voor maakt, in consultatie gegaan. Uit het conceptvoorstel en de conceptmemorie van toelichting volgt dat onder andere wordt beoogd een verschijningsplicht op de zitting voor verdachten van ernstige zeden- en geweldsmisdrijven in het leven te roepen. Daarnaast zouden de kring van spreekgerechtigden moeten worden uitgebreid naar de stieffamilie van een overleden slachtoffer en het moment dat van het spreekrecht gebruik kan worden gemaakt in de wet worden verankerd. Verder zou moeten worden voorzien in een (beperkt) spreekrecht voor slachtoffers bij tbs-verlengingszittingen.[21] Het wetsvoorstel is vooralsnog uitermate kritisch ontvangen. De Raad voor de rechtspraak heeft in zijn advies te kennen gegeven alleen heil te zien in het voorstel om een vast moment voor het uitoefenen van het spreekrecht in de wet op te nemen.[22] Het valt nog maar te bezien of het wetsvoorstel uitbreiding slachtofferrechten (in de huidige vorm) een lang leven is beschoren. 

Op nog een ander in de huidige tijdgeest populair onderwerp is in juni 2018 een initiatiefwetsvoorstel ingediend: de detentiefasering en voorwaardelijke invrijheidstelling. Voorgesteld wordt om de voorwaardelijke invrijheidstelling in lengte te beperken tot twee jaar. Gedetineerden die een gevangenisstraf van zes jaar of meer moeten uitzitten, gaan dat merken. Op dit moment is het nog zo dat de voorwaardelijke invrijheidstelling twee derde van de opgelegde gevangenisstraf beloopt, zonder dat die is gemaximeerd. Daarnaast zou de voorwaardelijk invrijheidstelling niet meer automatisch moeten volgen, maar slechts na een beoordeling van de wenselijkheid door het Openbaar Ministerie. Dat zou een omkering van de huidige regeling teweegbrengen. Nu vindt voorwaardelijke invrijheidstelling plaats, tenzij het OM dat niet wenselijk acht. De terechte kritiek – en niet alleen vanuit de (straf)advocatuur – op het voorstel liet gelukkig niet lang op zich wachten.[23] Vanuit de resocialisatiegedachte is dit wetsvoorstel een absolute ‘no-go’. 

NOTEN

[1] Zie bijvoorbeeld de conclusie van advocaat-generaal mr. A.E. Harteveld, ECLI:NL:PHR:2018:212. 

[2] Memorie van toelichting: Vaststellingswet Boek 3 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering: Beslissingen omtrent vervolging, http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/modernisering-wetboek-van-strafvordering/documenten, p. 3-4.  

[3] https://openaccess.leidenuniv.nl/handle/1887/58743?_ga=2.126744845.1830288351.1543562933-1530938411.1543228741.  

[4] https://www.nrc.nl/nieuws/2018/01/25/rechten-jongeren-in-geding-bij-voorlopige-hechtenis-a1589762.  

[5] Wet van 6 december 2017 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten strekkende tot aanpassing van enkele bepalingen betreffende de uitvoering van bijzondere opsporingsbevoegdheden en tot regeling van enkele bijzondere procedures van strafvorderlijke aard en aanverwante onderwerpen met het oog op een doeltreffende uitvoeringspraktijk. 

[6] Zie T. Dieben, ‘Door derde betaalde kosten – nieuwe vragen over artikel 591a Sv’ in: Advocatenblad 2018/9, p.50-52. 

[7] Polman e.a. 2017, ‘Kroniek formeel strafrecht’, Advocatenblad 2017/10, p. 91. 

[8] Stb. 2018, 264 en Stb. 2018, 265. 

[9] Stct. 2018, 52664. 

[10] Stb. 2018, 338 en Stb. 2018, 355. 

[11] Op 25 september 2018 is de wet door de Eerste Kamer aangenomen; Verslag EK 2018/2019, nr. 1, item 8. 

[12] O.a. het toevoegen van de artt. 120c, 130b, 152, 176c, 286a, 295a, 304c, 354b en 415c Sr. 

[13] O.a. het toevoegen van art. 80b aan de Kernenergiewet, art. 55a WWM, art. 7a WED en art. 33c van de Wet explosieven civiel gebruik. 

[14] Art. 138b, vierde en vijfde lid, Sr. 

[15] Art. 197a lid 7 Sr. 

[16] Stb. 2018, 38. 

[17] Stb. 2018, 322. 

[18] Polman e.a. 2017, ‘Kroniek formeel strafrecht’, Advocatenblad 2017/10, p. 93. 

[19] Zie voor een uitgebreider overzicht van de belangrijkste wijzigingen die de Wet computercriminaliteit III brengt; J.J. Oerlemans, ‘De Wet computercriminaliteit III: meer handhaving op internet’, Strafblad 2017/4, p. 350-359.  

[20] Kamerstukken II 2018/19, 29 279, nr. 459 (Vierde voortgangsrapportage modernisering Wetboek van Strafvordering).  

[21] Zie voor het concept-wetsvoorstel en MvT: https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2018/06/28/
nieuwe-stap-in-uitbreiding-slachtofferrechten.  

[22] Te raadplegen via: https://www.rechtspraak.nl/SiteCollectionDocuments/2018-30-advies-uitbreiding-slachtofferrechten-alttekst.pdf.  

[23] C. Flokstra, ‘De voorwaardelijke invrijheidstelling onder vuur’, Sdu-blog, te raadplegen via: https://www.sdu.nl/blog/de-voorwaardelijke-invrijheidstelling-onder-vuur.html.