Door / Max den Blanken, Maike Bouwman, Rachel Bruinen, Sophie Hof, Michiel Olthof, Ben ­Polman, Inge Raterman, Aram Sprey & Robert Malewicz (redactie), advocaten bij Cleerdin & Hamer Advocaten,

Algemene leerstukken

Opzet

Over voorwaardelijk opzet oordeelde de Hoge Raad op 29 mei 2018 (ECLI:NL:HR:2018:718) in een uitspraak over gevaarlijke dieren. ­Advocaat-generaal Keulen stelt de vraag of er nadere aanknopings­punten zijn aan de hand waarvan kan worden bepaald of sprake is van een aanmerkelijke kans. Volgens Keulen zouden verdachten niet langer bewust de ‘aanmerkelijke’ kans op een bepaald gevolg moeten aanvaarden, maar voldoende is dat ze de ‘reële’ kans accepteren. 

Volgens de Hoge Raad kon het hof oordelen dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de honden die hij uitliet een andere hond zouden bijten (en daarmee beschadigen). De Hoge Raad ziet hier dus geen problemen in de door het hof geformuleerde gevolgtrekking dat een ‘reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid’ op het gevolg bestond en dat verdachte deze aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. 

De Hoge Raad merkt op dat onder ‘de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans’ dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Hierbij plaatst de Hoge Raad wel de kanttekening dat met deze formulering van de maatstaf van de aanmerkelijke kans geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking wordt gebracht dan met de oudere formulering ‘de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans’ (bijvoorbeeld: HR 9 november 1954, NJ 1955/55). Over de grootte van de kans die in het algemeen of voor bepaalde delicten minimaal vereist is, kunnen geen algemene regels worden gegeven. 

Wanneer de opdracht wordt gegeven een ex-schoonvader in elkaar te slaan en vervolgens wordt – per ongeluk – de verkeerde met een mes zwaar lichamelijk letsel toegebracht, kan desalniettemin opzet van de opdrachtgever op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel worden bewezen, zo blijkt uit HR 12 juni 2018 (ECLI:NL:HR:2018:895). Daarbij woog in casu mee dat de te mishandelen schoonvader niet duidelijk was omschreven, waardoor de kans op een vergissing aanmerkelijk was. Daarnaast had verdachte omschreven dat de man ‘kapot’ moest. Dat maakte dat, ondanks de omstandigheid dat verdachte niet had gesproken over een steekwapen, uit de feiten en omstandigheden voldoende bewijs bestond voor (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan een persoon. 

Over het voorwaardelijk opzet in combinatie met een sport- en spelsituatie is op 25 september 2018 door de Hoge Raad arrest gewezen (ECLI:NL:HR:2018:1769). Allereerst plaatst de Hoge Raad de kanttekening dat het enkele feit dat de gedraging tijdens een sport- of spelsituatie is verricht, geen zelfstandige factor is bij de beoordeling van het ten laste gelegde opzet. Het oordeel van het hof dat de verdachte met zijn ‘sliding’ bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer geraakt zou worden, ten val zou komen en aan hem pijn of letsel zou worden toegebracht, geeft volgens de Hoge Raad niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk, aldus de Hoge Raad. Dat het niet de bedoeling was van de voetballer om de ander letsel toe te brengen, staat aan de bewezenverklaring van opzet/mishandeling niet in de weg. 

Tot slot heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 11 oktober 2018 geoordeeld dat de verdachte, handelend in een ontgroenings­ritueel van een scoutingvereniging, geen ­voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van (zwaar) lichamelijk letsel (ECLI:NL:RBZWB:​2018:5826). Het ontgroenings­ritueel dat tot deze uitspraak heeft geleid, bestond onder meer uit het ‘brandmerken’ met blauwe inkt. De ijzeren staaf met de letterstempel stond voorafgaand aan het ‘brandmerken’ al enige tijd in de buurt van een kampvuur. Daarnaast heeft de verdachte met de staaf het vuur opgepookt en heeft hij die telkens tussen het stempelen door de stempel opnieuw door het vuur gehaald. De verdachte heeft verklaard dat hij telkens eerst de stempel in de inkt heeft gedoopt en daarna de ijzeren staaf naar zijn arm heeft toegebracht om te voelen. Hij ging ervan uit dat de ijzeren staaf niet heet was. Meerdere kinderen hebben brandwonden opgelopen waarbij de letters van de  stempel goed zichtbaar zijn. 

Volgens de rechtbank blijkt niet uit het dossier dat de verdachte een van de slachtoffers een lesje wilde leren door hen daadwerkelijk te ‘brandmerken’ en daarbij (zwaar) lichamelijk letsel toe te brengen. Van een vooropgezette bedoeling is niet gebleken. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van (zwaar) lichamelijk letsel. Daartoe oordeelt de rechtbank allereerst dat de kans dat iemand die met een ­ijzeren staaf gestempeld wordt die kort daarvoor in aanraking is geweest met vuur daardoor een brandwond oploopt, naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Het betreft immers een ­reële, niet onwaar­schijnlijke mogelijk­heid. De rechtbank is ­echter van oordeel dat de verdachte de kans op het toebrengen van (zwaar) lichamelijk letsel echter niet bewust heeft aanvaard. Hoewel de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn aan te merken als zozeer gericht op het ontstaan van letsel bij de kinderen, bestaan er contra-­indicaties. Zo heeft de verdachte geprobeerd na te gaan of de stempel niet te warm was. Hoewel dit onderzoek achteraf beschouwd onzorgvuldig is geweest, betreft dit onderzoek een omstandigheid die naar zijn uiterlijke verschijningsvorm juist niet is gericht op het toebrengen van letsel. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van voorwaardelijk opzet, maar van schuld. 

Deelnemingsvormen

Feitelijk leidinggeven

In 2016 heeft de Hoge Raad een overzichtsarrest gewezen (ECLI:NL:​HR:2016:733) over feitelijk leiding­geven. Daarin schetst de Hoge een ­kader voor het vaststellen van de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor het feitelijk leidinggeven aan een door een rechtspersoon verrichte verboden gedraging. De Hoge Raad heeft dit arrest destijds gewezen omdat dit gecompliceerde thema in de recente rechtspraak weinig aan bod was gekomen. Hetzelfde is nu het geval. Het overzicht dat door de Hoge Raad in 2016 is gegeven, geldt nog steeds als uitgangspunt. De juris­prudentie van de Hoge Raad uit 2018 op dit punt is schaars en daaruit volgen geen noemenswaardige arresten. 

Uit lagere rechtspraak volgt dat het in 2016 gegeven toetsingskader doorgaans trouw wordt toegepast. Wellicht is de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 15 maart 2018 (ECLI:NL:RBROT:2018:2345) voor de praktijk nog interessant. De rechtbank zet in haar overwegingen uiteen waarom zij van oordeel is dat de financieel directeur van een grote rederij niet als feitelijk leidinggever kan worden aangemerkt van overtreding van de EVOA-richtlijn bij de verkoop van schepen. Hieruit blijkt – in lijn met het overzichts­arrest – duidelijk dat enkel de functie als bestuurder onvoldoende is voor strafrechtelijke aansprakelijkheid als feitelijk leidinggever. In dit geval kon op grond van het dossier niet worden vastgesteld dat er actief en effectief sprake was van aansturen door de bestuurder. Evenmin volgde uit het dossier dat de bestuurder de mogelijkheid had om de ten laste gelegde gedraging te voorkomen, maar dit had nagelaten. Tot slot bleek niet van handelingen die in het algemeen geassocieerd worden met feitelijk leidinggeven, zoals het geven van opdrachten. De rechtbank concludeert (terecht): ‘Hij was indirect bestuurder, maar dat is onvoldoende voor de conclusie dat hij feitelijk leidinggaf aan de ten laste gelegde gedragingen.’

Poging en voorbereiding

Anders dan in 2017 zijn in 2018 ­relatief weinig vernieuwende arresten gewezen over de leerstukken poging en voorbereiding. En hoewel het volgende arrest van de Hoge Raad materieelrechtelijk gezien ook weinig stof deed opwaaien, verdient dit ­arrest bespreking in deze Kroniek, juist vanwege een verweer dat de verdediging niet heeft gevoerd (ECLI:NL:​HR:2018:1007, NJ 2018, 337, m.nt. J.M. Reijntjes). 

De verdachte in deze zaak is veroordeeld voor poging tot doodslag en in cassatie wordt vervolgens (onder meer) geklaagd over het bewijs van voorwaardelijk opzet. Een punt waarover echter niet wordt geklaagd en waarover in feitelijke aanleg ook geen verweer is gevoerd, is dat de verdachte mogelijk een beroep toekomt op de exceptie van artikel 46b Wetboek van Strafrecht (Sr): vrijwillige terugtred. Het slachtoffer is namelijk gered doordat de verdachte tijdig de hulpdiensten heeft ingeschakeld. Reden voor advocaat-generaal Machielse om de Hoge Raad aan te sporen dit punt ambtshalve te toetsen, nu volgens hem een rechtstreeks en ernstig vermoeden bestaat dat artikel 46b Sr van toepassing is. 

De Hoge Raad wil daar echter niet aan en herhaalt dat ambtshalve cassatie bijzonder spaarzaam wordt toegepast. Daarnaast benoemt de Raad dat de beoordeling van even­tuele vrijwillige terugtred afhankelijk is van feitelijke vaststellingen en waarderingen, onder meer over de mate van waarschijnlijkheid dat het slachtoffer zou zijn overleden ná de uitvoeringshandelingen van de verdachte, maar vóór de gedragingen waarop het beroep op vrijwillige terug­tred is gebaseerd (toepassing van het Remkabelarrest, NJ 2009, 236). Dit arrest benadrukt daarmee nog maar eens het belang om in feitelijke aanleg scherp te zijn op dit soort verweren. 

In het kader van de strafbare voorbereiding (artikel 46 Sr) is een arrest van Gerechtshof Amsterdam van eind 2017 aardig om te noemen (ECLI:NL:GHAMS:2017:5436). Het hof stelt in dat arrest vast dat de verdachten bewust op pad zijn gegaan met criminele plannen, maar ziet zichzelf vervolgens voor de vraag gesteld of met voldoende mate van bepaaldheid kan worden vastgesteld wat de misdadige plannen waren. Daarbij overweegt het hof dat de aangetroffen vuurwapens, de uitdossing van de verdachten en het gebruik van een gestolen en geblindeerde auto kunnen wijzen op een plan om een ander te liquideren. Toch komt hof tot de conclusie dat niet voldoende is komen vast te staan dat de verdachten een levensdelict wilden plegen, waarbij het hof onder meer benoemt dat andere scenario’s niet als (volstrekt) onaannemelijk terzijde kunnen worden geschoven. Zo acht het hof niet onvoorstelbaar dat het zou gaan om (voorbereidingen voor) een gijzeling, een afpersing of bedreiging, in plaats van een liquidatie. Het hof concludeert dat niet met een voldoende mate van bepaaldheid is komen vast te staan op welk soort misdrijf de voorbereidingshandelingen betrekking hadden en spreekt de verdachte vrij. 

In een andere zaak kan Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden daarentegen wel vaststellen dat de verdachte voorbereidingshandelingen heeft verricht, gericht op het plegen van een overval (ECLI:NL:GHARL:2018:3979). De raadsman voert echter aan dat de juridische kwalificatie van die overval niet kan worden vastgesteld, nu de precieze plannen van de verdachten niet duidelijk zijn. Daardoor kan niet worden vastgesteld of de voorbereidingshandelingen gericht zijn geweest op diefstal met geweld, of afpersing. Het hof verwerpt echter dit verweer van de verdediging en oordeelt dat diefstal met geweld in vereniging en afpersing in vereniging zodanig verwant aan elkaar zijn, dat in het midden kan blijven op welke van beide delicten het opzet van verdachte was gericht. Dat de opzet van verdachte zowel op een diefstal met geweld, als op een afpersing in vereniging gericht kan zijn geweest, is naar het oordeel van het hof geen omstandigheid die aan een bewezenverklaring van de tenlastegelegde voorbereiding in de weg staat. 

In sommige gevallen kunnen juist de plannen van de verdachte(n) wel vrij duidelijk worden vastgesteld (bijvoorbeeld door het tappen van telefoons), maar levert de vraag of voorbereiding bewezen kan worden verklaard andere complicaties op. Dat was het geval in de zaak die ten grondslag ligt aan de uitspaak van de Rechtbank Amsterdam van 12 november 2018. In die zaak ging het om een voor­genomen kaping van een helikopter om daarmee een gedetineerde te bevrijden (ECLI:NL:RBAMS:2018:8013). Door vroegtijdig ingrijpen van de politie werd de uitvoering van deze plannen voorkomen. De rechtbank stelde allereerst vast dat voor een ‘begin van uitvoering’ (het criterium voor een strafbare poging) daad­werkelijk moet zijn aangevangen met de uitvoering van het specifieke delict. In dit geval zou moeten zijn begonnen met het in de macht brengen of van de route doen afwijken van de helikopter. De helikopter was echter nog niet geland op de plaats waar de verdachten vermoedelijk daartoe zouden overgaan, waardoor een poging niet bewezen werd verklaard. Deze verdachten zaten nog in een auto en zijn weggereden toen de politie ingreep. De rechtbank stelt vast dat in die auto wapens en munitie aanwezig zijn geweest en dat deze voorwerpen bestemd waren tot het plegen van de kaping. Ten aanzien van een hele reeks aan andere ten laste gelegde voorwerpen die waren aangetroffen, komt de rechtbank echter tot vrijspraak. De voorwerpen waren immers (mogelijk) slechts dienstig tijdens de voorbereiding van de kaping (telefoons en hotelkamers om te overleggen), maar zouden geen rol van betekenis spelen tijdens het plegen van de kaping zelf. Ook het eventuele vluchten voor de politie schaart de rechtbank niet onder het plegen van de kaping, waarmee het voorhanden hebben van voorwerpen die daaraan dienstig konden zijn (­auto’s, kraaienpoten, vuurpijlen) evenmin bewezen wordt verklaard. De rechtbank volgt hiermee een al wat oudere maar nog steeds relevante uitspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2013:BZ1956). Weer andere voorwerpen konden dienstig zijn aan het voornemen een gedeti­neerde te bevrijden (touw, autobanden), maar behulpzaamheid bij zelfbevrijding van een gedetineerde is geen feit dat met een gevangenisstraf van acht jaar of meer wordt bedreigd. Dit feit kan dus niet strafbaar voorbereid worden zoals bedoeld in artikel 46 Sr en ook het voorhanden hebben van deze voorwerpen leverde geen voorbereiding van de kaping op. In de uitspraak wordt door de rechtbank uitvoerig en op heldere wijze ingegaan op de leerstukken poging en voorbereiding en wordt duidelijk gemaakt dat ook het strafbaar voorbereiden van misdrijven ­begrenzingen kent. 

Strafuitsluitingsgronden

Noodweer(exces)

In de Kroniek van vorig jaar is uitgebreid ingegaan op reeks jurispru­dentie die is ontstaan naar aanleiding van het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 22 maart 2016 (ECLI:NL:HR:2016:456). De jurisprudentie over noodweer(exces) heeft ook in 2018 tot mooie uitspraken geleid. Wij lichten er drie uit die alle zien op de vraag of de verdediging geboden en noodzakelijk was. De eerste daarvan is het arrest van Hoge Raad van 3 april 2018 (ECLI:NL:​HR:2018:496). De verdachte in deze zaak krijgt ruzie op straat en rent vervolgens naar een café. Tijdens het rennen haalt hij een mes uit zijn zak. In het (kleine) halletje van het café draait hij zich om en staat oog in oog met het latere slachtoffer dat hem heeft achtervolgd. De verdachte zwaait met het mes voor zich om zijn slachtoffer op afstand te houden. Het slachtoffer slaat de verdachte alsnog waarna de verdachte hem steekt met het mes. Het slachtoffer overlijdt aan zijn verwonding. Het meest interessante aspect aan dit arrest is de manier waarop de Hoge Raad ­omgaat met het onttrekkingsvereiste. Het hof heeft naar de kern genomen geoordeeld dat het beroep op noodweer faalt omdat de ver­dachte, toen hij in het halletje van het café stond, de mogelijkheid onbenut heeft gelaten om het café in te gaan en op die manier op afstand van het slachtoffer te blijven. Hij had zich dus aan de aanval kunnen en moeten onttrekken en – nu hij dat niet heeft gedaan – was zijn intentie op dat moment gericht op een confrontatie en niet op het ontlopen daarvan. In het licht van wat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard (een verklaring over de feite­lijke toedracht die hof aan­nemelijk acht), is r dit naar het oordeel van de Hoge Raad niet zonder meer begrijpelijk. De Hoge Raad vernietigt het ­bestreden arrest en er volgt een terug­wijzing. 

De tweede uitspraak is de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juli 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1124). Ook in deze uitspraak staat het onttrekkingsvereiste centraal. Een politieambtenaar in Sint Maarten werd verdacht van ­doodslag nadat hij in zijn vrije tijd met zijn dienstwapen meerdere kogels afvuurde op het slachtoffer. Naar het oordeel van het hof was er weliswaar sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte waartegen hij zich mocht verdedigen, maar aan hem komt geen beroep op noodweer toe, omdat – kort gezegd – niet aan de hier te stellen subsidiariteitseis en proportionaliteitseis is voldaan. Aan dat oordeel heeft het hof onder meer ten grondslag gelegd dat op het moment van het schietincident de auto waarin de verdachte zich bevond weliswaar was omsingeld door agressieve mannen, maar dat de verdachte desondanks had kunnen wegrijden, dan wel had kunnen volstaan met het tonen van het vuurwapen aan het slachtoffer of met het lossen van een waarschuwingsschot. Het hof heeft verder bij zijn oordeel betrokken dat de verdachte de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden ‘door met een vuurwapen op korte afstand gericht op de borst van een man, die op dat moment geen zichtbaar wapen in handen had te schieten’ en dat van ‘de verdachte, van wie op grond van zijn opleiding en training als politieambtenaar verwacht mocht worden om – ondanks de omstandigheden waarin hij verkeerde – in staat te blijven afgewogen beslissingen te nemen, mocht worden gevergd dat hij een andere keuze had gemaakt dan op het slachtoffer te schieten’. Van de verdachte mocht in deze zaak onder deze omstandigheden ‘meer’, dan wel ander handelen, verwacht worden, waardoor een beroep op noodweer faalt. De Hoge Raad oordeelt dat een beroep op noodweer door het hof geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. 

De laatste uitspraak over noodweer(exces) is van het Hof Amsterdam van 20 februari 2018 (ECLI:NL:​GHAMS:2018:3315). Vaststaat dat er een vechtpartij heeft plaatsgevonden tussen twee groepen fietsers. De feitelijke toedracht daarvan is echter onduidelijk gebleven. Beide groepen verklaarden dat de andere groep was begonnen met het uitoefenen van geweld. Het scenario dat de verdachte schetst kan daarom niet worden uitgesloten. Volgens de verdachte is een van de slachtoffers begonnen met het toepassen van geweld tegen zijn broer en zijn vervolgens twee jongens in zijn nek gesprongen op het moment dat hij zijn broer te hulp schoot. Uitgaande van de lezing van de verdachte leverden deze gedragingen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding op waartegen de verdachte zijn broer en zichzelf mocht verdedigen. Uit het dossier volgt dat de verdachte ter verdediging de jongeren enkele vuistslagen in het gezicht heeft gegeven. Gezien de onoverzichtelijkheid van de onderhavige noodweersituatie – de verdachte werd hiermee ongevraagd en onverwacht geconfronteerd nadat hij eerder door één van de jongeren in zijn gezicht was gespuugd – past het niet dat het hof op studeerkamerachtige wijze (eigen cursivering) beoordeelt of de gekozen verdediging optimaal is geweest. Het gaat erom of het toegepaste geweld niet in onredelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding. Gelet op de aard van de aanranding en het toegepaste geweld is het hof van oordeel dat de wijze van verdediging van de verdachte in redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding, waardoor eveneens is voldaan aan het vereiste van proportionaliteit. Het beroep op noodweer slaagt. 

Psychische overmacht

Over psychische overmacht wees ­Gerechtshof Den Haag op 26 september 2018 (ECLI:NL:GHDHA:​2018:2494) een lezenswaardig arrest gewezen. De verdachte in deze zaak werd in eerste aanleg veroordeeld tot een forse gevangenisstraf voor het medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden en de feitelijke aanranding van de eerbaarheid, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. In appel wordt de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging wegens een geslaagd beroep op psychische overmacht. De zaak speelt zich af binnen de Afghaanse cultuur, waarin er een reële dreiging bestond op eerwraak. De verdachte heeft verklaard dat hij en de medeverdachte de bewezen verklaarde feiten hebben gepleegd, omdat zij dit als enige mogelijke oplossing (‘laatste redmiddel’) zagen voor een eergerelateerd probleem. Het gevaar dat de verdachte en medeverdachte liepen als gevolg van het bekend worden van hun relatie, wordt door verschillende verklaringen ondersteund. Daarnaast is een rapport opgemaakt door het Landelijk Expertise Centrum Eer Gerelateerd Geweld. Gelet hierop acht het hof het – met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging – aannemelijk dat bij de verdachte sprake was van een gegronde en reële angst dat de medeverdachte wederom zou worden mishandeld en zou worden uitgehuwelijkt en dat de verdachte zou worden mishandeld dan wel vermoord. Mede op grond hiervan concludeert het hof dat de daadwerkelijke wilsvrijheid van de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde beperkt was. De verdachte bevond zich als gevolg daarvan in een zeer stressvolle situatie. Alles in overweging genomen, is het hof in deze zaak van oordeel dat de verdachte ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Specifieke delicten

Criminele organisatie

Georganiseerde misdaad is de overheid een doorn in het oog. Terwijl in met name de Randstad en Brabant drugsvondsten en schietpartijen veelvuldig in het nieuws zijn, zoeken regering en Openbaar Ministerie naar nieuwe manieren om criminele groepen te bestrijden. 

In 2016 legde de Rechtbank Amsterdam in het 26Koper-proces een aantal maal de maximumstraf van zes jaar op voor de deelname aan een criminele organisatie die onder andere tot oogmerk had het plegen van moorden.[1] In de nasleep van dit proces pleitte het OM voor een wetswijziging om ook voorbereidingshandelingen van artikel 140 Sr strafbaar te stellen.[2] Aan die wens komt de regering tegemoet in de conceptwet ‘Herwaardering strafbaarstelling actu­ele delictsvormen’. Het voorstel is om aan artikel 140 Sr een extra lid toe te voegen, waarin het strafmaximum tot tien jaar verhoogd wordt voor de deelname aan een crimineel samenwerkingsverband dat tot oogmerk heeft het plegen van zeer zware misdrijven (strafdreiging > twaalf jaar). Blijkens de memorie van toelichting is het doel van deze wetswijziging onder meer om voor­bereidingshandelingen (ex art. 46 Sr) ook strafbaar te stellen. Hoe dit strafbare voorbereiden van deel­name aan een criminele organisatie er in de praktijk uit zal zien, is nog onduidelijk. 

In de strijd tegen criminele samenwerkingsverbanden weet het OM tegenwoordig ook de civiele rechter te vinden. Meest belangwekkende zaak was het verbod van motorclub Satudarah door de Rechtbank Den Haag in juni van dit jaar (Rechtbank Den Haag 18 juni 2018, NL:RBDHA:​2018:7183). Dat het OM niet strafrechtelijk vervolgde op grond van artikel 140 Sr achtte de rechtbank voor een civiel verbod niet onover­komelijk. 

Ook de Hoge Raad liet zich nog uit over de reikwijdte van artikel 140 Sr. Uit vaste jurisprudentie volgt dat een criminele organisatie uit minimaal twee personen moet bestaan. Nieuw is het expliciete oordeel dat een rechtspersoon en een natuurlijk persoon ook samen een crimineel samenwerkingsverband kunnen vormen (Hoge Raad 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:378). 

Mensenhandel

Op 2 oktober 2018 casseerde de Hoge Raad een arrest waarbij de verdachte door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden onder meer was veroordeeld voor mensenhandel (art. 273f sub lid 1 sub 2 Sr) tot een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In deze zaak ging het om een verdachte die gedurende een langere periode mensenhandel pleegde met een minderjarig meisje door haar over te halen en onder druk te zetten om in de prostitutie te gaan werken. Verdachte faciliteerde dit door haar te instrueren onder meer over het maken van foto’s, het plaatsen van advertenties, het verstrekken van een werktelefoon, het regelen van een werkplek en het vervoer van en naar klanten. Seksuele handelingen met klanten hadden echter nog niet plaatsgevonden. Centrale vraag was dan ook of deze handelingen reeds de kwalificatie ‘uitbuiting’ zouden opleveren (art. 273f sub lid 1 sub 5 Sr), of zouden moeten worden gekwalificeerd als handelingen met het oogmerk van uitbuiting (art. 273f sub lid 1 sub 2 Sr). Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden was van oordeel dat geen sprake is van uitbuiting nu er nog geen daadwerkelijke seksuele handelingen zouden hebben plaatsgevonden tussen de minderjarigen en een derde. De Hoge Raad casseert deze zaak partieel en verwijst de zaak terug op dit punt; het oordeel van het hof dat de enkele omstandigheid dat geen seksuele handelingen zijn verricht in de weg zou staan voor en bewezenverklaring, vindt immers geen steun in het recht. Daarnaast beslist de Hoge Raad eveneens dat het oordeel van het hof dat uitbuiting als impliciet bestanddeel van artikel 273f, lid 1 sub 5 Sr, een onjuiste was. 

Een totaal andere vorm van mensenhandel is die van arbeidsuitbuiting. Denk hierbij aan dwang, onderbetaling, misleiding en andere mensonterende omstandigheden op de werkvloer. Op 1 oktober 2018 zijn twee broers vrijgesproken door de Rechtbank Gelderland van onder meer mensenhandel nu zich geen overtuigend bewijs in het dossier bevond dat de broers een 46-jarige medewerker in hun restaurants zouden hebben uitgebuit of dit wilden doen. In dit vonnis wordt opnieuw zeer uitgebreid stilgestaan bij de jurisprudentie rond arbeidsuitbuiting en de voorwaarden waaraan dient te worden voldaan om te kunnen spreken van dit type van uitbuiting. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van uitbuiting komt onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor betrokkene meebrengt en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maat­staven als referentiekader te worden gehanteerd. 

Mishandeling

Op 12 december 2017 wees de Hoge Raad arrest in een zaak waarin de verdachte volgens het hof een willekeurig persoon op straat een dermate harde klap tegen het hoofd had gegeven dat dit slachtoffer direct bewusteloos was geraakt en een zware hersenschudding, een gat in het hoofd en pijn had opgelopen. Het hof had de verdachte veroordeeld voor mishandeling, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbende. Het middel klaagde erover dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet zonder meer kon volgen dat bij het slachtoffer sprake was van zwaar lichamelijk letsel, zodat het bewezen verklaarde onvoldoende met redenen was omkleed, althans niet zonder meer begrijpelijk was gemotiveerd. 

Advocaat-generaal Bleichrodt concludeerde dat het hof in zijn arrest inder­daad geen nadere overwegingen had opgenomen rond de vraag of het bewezen verklaarde letsel als ‘zwaar lichamelijk letsel’ moet worden opgevat. Wel had het hof onder de aanhef ‘Oplegging van straf’ overwogen dat het slachtoffer op straat een dermate harde vuistslag in zijn gezicht had gekregen dat hij direct bewusteloos was geraakt. Daarnaast had het hof overwogen dat het slachtoffer hierdoor zodanig ernstig hoofdletsel heeft opgelopen, dat hij niet meer in staat was zijn universitaire studie Psychologie voort te zetten en dat het incident op psychisch vlak aanzienlijke gevolgen gehad heeft. Volgens Bleichrodt konden deze overwegingen echter niet de conclusie dragen dat sprake was van zwaar lichamelijk letsel. Immers werd niet duidelijk of en in welke mate sprake was van zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezig­heden ontstaat. 

Het middel slaagt: de Hoge Raad meent dat het oordeel van het hof dat het slachtoffer ten gevolge van de mishandeling zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen niet zonder meer begrijpelijk was en dat de bewezenverklaring dus niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat de gebezigde bewijsmiddelen wat betreft de in de bewezenverklaring opgenomen ‘zware hersen­schudding’ niets naders inhielden omtrent de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. 

Had een gedetineerde die een fles met daarin een hem onbekende vloeistof over een medewerker van een penitentiaire inrichting heen gooide voorwaardelijk opzet op mishan­deling? Op 24 april 2018 wees de Hoge Raad een arrest dat deze vraag beant­woordde (ECLI:NL:​HR:2018:657). De verdachte was in hoger beroep veroordeeld voor mishandeling, nu hij – volgens de tenlastelegging – een fles met daarin een bijtende en zure inhoud over het gezicht en lichaam van het slachtoffer had gegooid, die daardoor pijn of letsel had bekomen. De verdachte had zich niet vergewist wat er precies in de fles zat, maar blijkens de pleitnota van de raadsman in hoger beroep bleek dit een mengsel van melk en pindakaas te zijn. Kennelijk had de medewerker van de penitentiaire inrichting hierdoor een allergische reactie gekregen. 

De raadsman van de verdachte had verzocht om vrijspraak, nu hij meende dat zijn cliënt geen voorwaardelijk opzet op letsel had. Hij stelde dat zijn cliënt, door het gooien van een onbekende vloeistof op de gevangenisbewaarder, niet willens en wetens de aanmerkelijke kans had aanvaard dat er ongelukkigerwijs bij die persoon een allergische reactie optreedt. Het hof had dit verweer verworpen met de overweging: ‘Door het gooien van de inhoud van een fles over het slachtoffer, zonder zich ervan te vergewissen wat zich in de fles bevond, heeft de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij het slachtoffer daardoor pijn zou kunnen toebrengen. Aldus acht het hof bewezen dat bij de verdachte de opzet, in de zin van voorwaardelijk opzet, heeft bestaan op het toe­brengen van pijn bij het slachtoffer.’ 

Het middel klaagde naar het oordeel van de Hoge Raad terecht over deze bewezenverklaring en motivering. Volgens de Hoge Raad moet worden vooropgesteld dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier pijn – aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dit gevolg zal intreden. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Nu het hof had vastgesteld dat de verdachte de inhoud van de fles over het slacht­offer heen had gegooid zonder zich te vergewissen wat de inhoud was, was het daarop steunende oordeel dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans had aanvaard dat hij het slachtoffer pijn zou toebrengen niet zonder meer begrijpelijk, gelet op wat de algemene ervaring leert en wat de raadsman heeft aangevoerd. Het middel slaagt. 

Openlijke geweldpleging

Nadat de Hoge Raad in 2016 voor het eerst overwoog dat de criteria van medeplegen ook dienen te gelden voor delicten die ‘in vereniging’ worden gepleegd, waaronder de openlijke geweldpleging van artikel 141 Sr, maakt de Hoge Raad in ECLI:NL:​HR:2018:1008 enige opmerkingen bij de uitleg en motiveringsplicht ten aanzien van het bestanddeel ‘openlijk’. 

Een verdachte van openlijke geweldpleging tijdens een huwelijksfeest wordt door het hof in hoger beroep vrijgesproken omdat uit het dossier niet volgde dat er op het feest niet-­genodigde gasten aanwezig waren. Daarom kan naar het oordeel van het hof niet worden gesproken van een voor het publiek toegankelijke plaats. Verder volgt uit het dossier dat voorafgaand aan de geweldshandelingen de deuren van de feestzaal dicht zijn gedaan. Uit het dossier volgt verder niet dat de gepleegde geweldshandelingen zichtbaar waren voor omstanders vanaf de openbare weg, zodat ook in die zin niet kan worden gesproken van ‘openlijk’ in de zin van artikel 141 Sr. 

Het middel dat het OM, dat zich richt op het oordeel van het hof dat het geweld niet openlijk was, slaagt, stelt A-G Machielse in zijn con­clusie. De lijn van de Hoge Raad van de laatste jaren, waarbij de nadruk ligt op het niet heimelijke, jegens anderen dan direct betrokkenen onverholen ­karakter van het geweld, acht Machielse aantrekkelijker dan de uitleg van artikel 141 Sr die zich baseert op de plaats waar het geweld plaatsvindt of kan worden waargenomen. Machielse illustreert dit door voorbeelden te noemen van geweldshandelingen in De Kuip of Het Concertgebouw die dan niet als openlijke geweldpleging zouden kunnen worden bestempeld. 

Ook de Hoge Raad noemt het feit dat in de rechtspraak met betrekking tot het bestanddeel ‘openlijk’ vaak is vooropgesteld dat daarvan sprake is bij geweld dat zich door onverholen, niet-heimelijk bedreven daden heeft geopenbaard, zodat daardoor de openbare orde is aangerand, zonder dat ook is vereist dat ten tijde en ter plaatse van het plegen van het geweld publiek aanwezig was of dat er toen en daar feitelijk vrije toegang en zicht bestond op wat er gebeurde. Van essentieel belang is volgens de Hoge Raad het antwoord op de vraag of bij de geweldpleging in zekere zin willekeurig publiek aanwezig was of had kunnen zijn. 

Dit brengt volgens de Hoge Raad met zich mee dat de motivering van de bewezenverklaring van het bestanddeel ‘openlijk’ vooral in niet-evidente gevallen nadere aandacht verdient. Daarbij zijn de specifieke omstandigheden van het geval doorslaggevend. De Hoge Raad overweegt vervolgens aan de hand van eigen jurisprudentie dat onder meer de potentiële waarneembaarheid van de ten laste gelegde gedragingen en de omvang van het – potentieel aan­wezige – ­publiek in dat verband een rol kunnen spelen. 

Nu volgens de Hoge Raad in het oordeel van het hof besloten ligt dat het geweld zich voltrok in een besloten ruimte die slechts – op uitnodiging – toegankelijk was voor een beperkt aantal personen en waar geen on­genode gasten aanwezig waren waardoor er niet gesproken van ‘openlijke’ geweldpleging, getuigt dit oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd waardoor het middel slaagt. 

Uitingsdelicten

Op basis van jurisprudentie is het ­veilig om te stellen dat uitings­delicten steeds vaker online ­plaatsvinden. 

De Hoge Raad boog zich over de vraag of een door de verdachte gemaakt en online geplaatst computerspel een strafbare doodsbedreiging opleverde (ECLI:NL:HR:2018:24). Foto’s van de gezichten van de aangevers – met wie de verdachte een zakelijk conflict had – waren in het spel op afbeeldingen van onder meer konijnen geplakt. Doel van het spel was om deze konijnen af te schieten. De Hoge Raad vernietigde het veroordelend arrest van het gerechtshof, omdat zonder nadere motivering niet was in te zien hoe de redelijke vrees kon ontstaan dat er daadwerkelijk op de aangevers geschoten zou worden. 

In dezelfde categorie valt het spel ‘Poke-a-Cop Go!’ waarin stenen konden worden gegooid naar virtuele (Pokemon-)figuurtjes, met daarop gezichten van politieagenten geplakt. Ten laste was gelegd 1) het dreigen virtuele stenen te gooien naar virtuele figuurtjes (‘Poke-a-Cops’) en 2) het anderen oproepen daartoe. De rechtbank sprak de maakster van dit spel vrij van bedreiging en opruiing en overwoog onder meer dat deze ­Poke-a-Cops geen onderdeel uitmaken van het openbaar gezag (ECLI:NL:​RBROT:2018:5142). 

De Hoge Raad liet de veroordeling voor smaad en smaadschrift in stand van een vrouw die een hyperlink op haar openbare Facebookpagina had gedeeld en anderen vroeg hetzelfde te doen (ECLI:NL:HR:2018:331). De link verwees naar een website waarop diezelfde vrouw de aangever beschuldigde pedoseksueel te zijn, dat de politie daarvan op de hoogte was en dat deze aangever haar kind had misbruikt. Onder die omstandigheden was er zowel sprake van ‘verspreiding’ als van de telast­legging van een ‘bepaald feit’ in de zin van artikel 261 Sr. 

Ook bevestigde de Hoge Raad nog maar eens dat in het publieke debat voor politici andere maatstaven gelden dan voor gewone burgers (ECLI:NL:HR:2018:539). Eerder sprak het gerechtshof de (burger)verdachte vrij van groepsbelediging (art. 137c Sr), en verwees daarbij naar overwegingen van de Hoge Raad in een arrest waarbij een politicus hetzelfde verweten werd. Na een OM-cassatie vernietigde de Hoge Raad deze vrijspraak, onder meer omdat door het hof ten onrechte werd verwezen naar op een politicus toegesneden overwegingen. 

Vermogensdelicten

Diefstal/verduistering

Dit jaar een aantal arresten over de uitleg van bestanddelen en kwalificatieperikelen. 

Allereerst, wegrijden bij het tankstation zonder te betalen: is dat diefstal of verduistering? Het ligt eraan of al ten tijde van het tanken het oogmerk op wederrechtelijke toe-eigening bestond, of dat dat opzet pas ontstond na het tanken. Let wel, dit is weging van hoofdzakelijk feitelijke aard, dus wacht niet tot in cassatie. De Hoge Raad gaat er uitgebreid op in (ECLI:​NL:HR:2018:367). 

Gewiekst was de man die op facturen van zijn werkgever zijn eigen rekeningnummer plaatste. De klant betaalde daardoor niet aan het bedrijf maar aan de werknemer. Hij werd vervolgd voor diefstal, maar stal de man nu ook van zijn werkgever? Nee, aldus de Hoge Raad. Het enkele bestaan van een vorderingsrecht brengt nog niet mee dat een daarmee corresponderend, zich nog onder de debiteur bevindend geldbedrag reeds aan de crediteur ‘toebehoort’ in de zin van artikel 310 Sr (ECLI:NL:HR:2018:1074). 

In ECLI:NL:HR:2018:394 hield de tenlastelegging die was toegesneden op diefstal (art. 310 Sr) enkel in dat ‘goederen’ waren weggenomen. Er was niet geëxpliceerd om welke goederen het ging. Dat dit onvoldoende duidelijk en feitelijk zou zijn en dus een nietige dagvaarding oplevert, is de Hoge Raad niet met de verdediging eens. 

Heling

Heling en witwassen zijn feiten die handelingen met goederen die uit misdrijf zijn verkregen strafbaar stellen. Voor witwassen had de Hoge Raad in 2014 al geoordeeld dat het wel moet gaan om een misdrijf dat is begaan voorafgaand aan de witwashandeling. In ECLI:NL:HR:2018:35 wordt dit nu eveneens vastgesteld voor het bestanddeel ‘door misdrijf verkregen’ in de strafbaarstelling van heling (art. 416 Sr).

Witwassen

Op 25 juli jl. is de Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn in werking getreden. Met deze richtlijn wordt het bestaande instrumentarium om witwassen in financieren van terrorisme tegen te gaan verder aangevuld. 

Zo is de reikwijdte van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) uitgebreid met een aantal nieuwe instellingen. Ook aanbieders van kansspelen, handelaren die in goederen handelen en daarvoor betalingen in contant geld doen of ontvangen van 10.000 euro of meer en beheerders van beleggingsinstellingen, dienen vanaf 25 juli jl. te voldoen aan de verplichtingen uit de Wwft. Daarnaast worden de verplichtingen die voor instellingen gelden uitgebreid. Ze zijn nu verplicht een verantwoordelijke, een compliancefunctie en een auditfunctie aan te wijzen. Ook moet een instelling het risico op witwassen en financieren van terrorisme vaststellen en beoordelen; in de vierde anti-witwasrichtlijn zijn daarvoor diverse risicofactoren beschreven. Het vereiste cliëntenonderzoek moet vervolgens afgestemd zijn op de vastgestelde risicogevoeligheid. Om te voorzien in de door de vierde anti-witwasrichtlijn voorgeschreven ‘doeltreffende, afschrikwekkende, doch evenredige bestuurlijke sancties en maatregelen bij niet-naleving van de bepalingen in de richtlijnen’ is de maximumboete verhoogd. De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten kunnen de vergunning van een instelling intrekken als de Wwft wordt overtreden. Dit betreft uiteraard geen uitputtend overzicht van de wijzigingen, maar wel de belangrijkste voor de strafrechtpraktijk. 

De witwasjurisprudentie van 2018 brengt geen nieuwe ontwikkelingen met zich. Uit de rechtspraak volgt dat er volop verweer wordt gevoerd op de kwalificatieuitsluitingsgrond, maar het kader daarvoor is in oudere jurisprudentie reeds gegeven. De Hoge Raad houdt daaraan vast. Noemenswaardig is nog de poging van het Openbaar Ministerie om een verdachte te laten veroordelen voor het witwassen van horloges gekocht met een lening, die enkel met crimineel vermogen of inkomen kon worden terugbetaald. Dit ging de Hoge Raad te ver. Er kan onder die omstandigheden niet gesproken worden van een voorwerp dat ‘uit enig misdrijf afkomstig’ is (ECLI:NL:HR:2018:793). 

Zeden

Het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering zijn tot stand gekomen in een tijd waarin een digitale wereld niet bestond. Dit betekent dat bevoegdheden en strafbaarstellingen – om in de pas te blijven lopen met de huidige technologische ontwikkelingen en nieuwe vormen van strafbare feiten – periodiek dienen te worden herijkt, zo ook binnen de zedenwetgeving. 

Op 26 juni 2018 is de Eerste Kamer akkoord gegaan met het Wetsvoorstel Computercriminaliteit III. Deze wet, die op 27 juni jl. is gepubliceerd in het Staatsblad, geeft meer mogelijkheden aan de politie en het Openbaar Ministerie om cybercrime te kunnen bestrijden. 

In de Wet Computercriminaliteit III is gehoor gegeven aan de roep om bij webcamseks tussen een meerder- en een minderjarig persoon strafrechtelijk beter te kunnen optreden via artikel 248a Sr (verleiding tot ontucht). Steeds meer zaken kwamen voor de rechter waar het ging om meisjes die door mannen via de webcam werden verleid bij zichzelf seksuele hande­lingen te verrichten. Vervolgens werden de meisjes afgeperst met het gemaakte beeldmateriaal: ‘sextor­tion’. Het oude artikel 248a Sr bood al grondslag voor het vervolgen van een meerderjarige die door giften of beloften van geld of goederen, misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of misleiding, minderjarigen bewoog tot het plegen van strafbare feiten. 

Door de verwijdering van het onderdeel ‘met hem’ heeft het nieuwe artikel 248a Sr betrekking gekregen op het bewegen van een minderjarige tot het plegen van ontuchtige handelingen in het algemeen. Dit omvat dus ook handelingen van de minderjarige zelf, waarbij het niet uitmaakt of de minderjarige in aanwezigheid is van de verdachte of de handelingen bij zichzelf uitvoert voor een webcam. Genoemde wijzigingen hebben het delict in dat opzicht dan ook klaargemaakt voor het digitale tijdperk. 

Door de aangenomen wet is bij het hiervoor genoemde delict evenals bij grooming (art. 248e Sr) eveneens een nieuw opsporingsmiddel mogelijk geworden in de vorm van een lokpuber. Het is een term die bekend is geworden door een Leidse zedenzaak uit 2010, waarin gebruik was gemaakt van een meerder­jarige opsporings­ambtenaar die zich voordeed als dertienjarige jongen. Echter, blijkens de voormalige delicts­omschrijving ex artikel 248e Sr, moest het voorstel tot een ontmoeting worden gedaan door een persoon van onder de zestien jaar oud. 

In het vernieuwde artikel is de inzet van een meerderjarige die zich voordoet als een minderjarige, mogelijk geworden door de woorden ‘of schijnbaar is betrokken’ toe te voegen. Kortom, dat maakt dat het niet langer noodzakelijk is dat met een persoon van minder dan zestien jaar oud wordt gecommuniceerd. Het nieuwe artikel laat daarmee ook ruimte voor betrokkenen anders dan opsporingsambtenaren, lees: burgers. Toekomstige jurisprudentie zal uitwijzen hoe dit zich in de praktijk zal gaan ontwikkelen. 

Het gewijzigde artikel 248a Sr maakt ook het verleiden van een minderjarige, of iemand die zich voordoet als een minderjarige, strafbaar als zijnde ontucht. Uit de bewijsmiddelen zal wel moeten blijken dat er daadwerkelijk interactie is geweest tussen de verdachte en opsporingsambtenaar die zich heeft voorgedaan als minderjarige. 

Heimelijk filmen

Het heimelijk filmen heeft door rechtszaken van glurende docenten en sporttrainers de afgelopen jaren de nodige aandacht gekregen. Al begin 2016 kondigde de minister van Veiligheid en Justitie een wetgevingstraject tot modernisering van de zedenwetgeving aan.[3] De strafbaarstelling van het heimelijk filmen wordt in dit traject eveneens meegenomen om te bezien of het filmen van personen met een ‘seksuele strekking’ apart strafbaar dient te worden gesteld. 

Immers, glurende buren die heimelijk een camera hebben geplaatst in de tuin van een ander vallen nu onder hetzelfde artikel als een huisgenoot die stiekem zijn iPhone in de selfiestand richting de badkamer richt, te weten onder de artikelen 139f of 441b Sr. Hoewel het de bedoeling was dat het conceptwetsvoorstel in de zomer van 2017 in consultatie zou gaan,[4] is deskundigenoverleg over deze modernisering en verbetering ook in 2018 nog steeds gaande. Of het uiteindelijk tot een daadwerkelijke aanpassing komt in de zedenwetgeving is – gezien de toegevoegde waarde ten opzichte van het geldend recht – nog maar zeer de vraag. Een rechter kan een en ander per slot van rekening ook in de strafmaat verdisconteren. 

Tot een taakstraf van tachtig uur veroordeelde de Rechtbank Midden-­Nederland (ECLI:NL:RBMNE:​2018:1007) een 33-jarige man uit Amerongen die bijna twee jaar stiekem zijn jonge achterbuurvrouw filmde. Hij verstopte een camera te verstoppen in een deken en hing die vervolgens uit het raam. Hierbij was de lens van de camera zodanig ingezoomd dat het slaapkamerraam van de buurvrouw vol in beeld was. Uit onderzoek was echter gebleken dat hij het beeldmateriaal niet heeft verspreid en tevens dat de man leed aan een ziekelijke stoornis waarvoor een behandeling werd opgelegd door de rechtbank. 

De Rechtbank Noord-Nederland veroordeelde in juli 2018 een man die onder andere had gepoogd heimelijk filmopnames te maken van naakte (minderjarige) meisjes door een camerapen in de doucheruimte te plaatsen bij een vriend met kinderen (ECLI:NL:RBNNE:2018:2764). Dit werd niet alleen gekwalificeerd als (een poging tot) het heimelijk vervaardigen van afbeeldingen met een camera, maar ook als het vervaardigen van kinderporno. Tevens werd hij veroordeeld voor het heimelijk maken van camerabeelden in een dameskleedkamer van een voetbalvereniging en het bezit van kinderporno tot een gevangenisstraf van 181 dagen waarvan 180 voorwaardelijk met een behandelverplichting alsmede een taakstraf van 240 uren. 

Opiumwet

In een arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:328) gaat het over het bestanddeel ‘bestemd zijn tot’ zoals opgenomen in artikel 11a van de Opiumwet, waarin voorbereidingshandelingen voor hennepteelt strafbaar zijn gesteld. In deze zaak wordt bewezen verklaard dat de verdachte allerlei voorwerpen voorhanden heeft gehad (onder andere assimilatielampen, koolstoffilters enzovoort) waarvan hij wist dat zij bestemd worden tot het plegen van de in artikel 11a strafbaar gestelde feiten. Bij een doorzoeking worden deze goederen inderdaad aangetroffen en ook blijkt dat er illegaal elektriciteit wordt afgetapt. De verdachte verklaart dat er enkele jaren geleden een hennepplantage is gevonden en dat de voorwerpen toen niet zijn opgeruimd. Hij heeft deze ruimte dichtgemaakt en wist dat de spullen er stonden. Het hof oordeelt dat die wetenschap voldoende is om tot een bewezenverklaring te komen en dat het irrelevant is of verdachte feiten wilde gaan plegen als bedoeld in artikel 11 van de Opiumwet. De Hoge Raad denkt daar anders over en casseert. Mede gelet op de wetsgeschiedenis is vereist dat de gedragingen strekken tot voorbereiding of vergemakkelijking van hennepteelt waarbij het uiteindelijke doel ten behoeve waarvan die handeling wordt verricht wel degelijk van belang is. Omdat de verklaring van verdachte als bewijsmiddel is gebruikt terwijl daar geen criminele intentie uit kan worden afgeleid, casseert de Hoge Raad. 

Elk jaar zien wij ook weer enkele arresten terug over het gedoogbeleid rondom coffeeshops. De Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:25) casseert een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin het OM niet-ontvankelijk is verklaard. Het hof had geoordeeld dat gelet op de Aanwijzing Opiumwet en de vaststelling dat een coffeeshop niet kan functioneren zonder een grote stash-voorraad, de verdachte er op mocht vertrouwen dat hij niet zou worden vervolgd. De Hoge Raad heeft al vaker laten blijken dat dit niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid en oordeelt hier idem dito. Alleen al omdat er in de genoemde aanwijzing uitdrukkelijk wordt genoemd dat maximaal een handelsvoorraad van vijfhonderd gram mag worden aangehouden, is dat oordeel niet begrijpelijk en wordt er gecasseerd. 

Wegenverkeerswet

Een heet hangijzer binnen het verkeersstrafrecht is de vraag of sprake is van schending van het ne bis in idem-beginsel wanneer iemand voor een gedraging (rijden onder invloed) zowel strafrechtelijk vervolgd wordt als een bestuursrechtelijke maatregel opgelegd krijgt. 

Deze vraag stond wederom centraal in het arrest dat de Hoge Raad op 16 januari 2018 wees (ECLI:NL:​HR:2018:23). In deze zaak had de verdachte voor het weigeren medewerking te verlenen aan een adem­analyse zowel een dagvaarding als een uitnodiging voor een EMA-cursus (Educatieve Maatregel Alcohol en Verkeer) ontvangen. Zijn advocaat beriep zich in appel op het ne bis in idem-beginsel en verzocht het hof het OM niet-ontvankelijk te verklaren. Hierbij werd verwezen naar het arrest dat Hoge Raad in 2015 wees met betrekking tot het alcoholslotprogramma. Dit verweer werd door het hof verworpen met een verwijzing naar de vele uitspraken waarin de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat de EMA geen maatregel is die gebaseerd is op een ‘criminal charge’ in de zin van het EVRM, zodat de uit dat artikel volgende waarborgen, waaronder het door de raadsman bedoelde ne bis in idem-beginsel, niet in rechte kunnen worden ­ingeroepen. 

In het middel werd geklaagd over dit oordeel, dan wel de motivering hiervan. De Hoge Raad meende echter dat dit oordeel niet blijk gaf van een ­onjuiste rechtsopvatting, noch ontoereikend gemotiveerd was. Ook meende de Hoge Raad dat, anders dan het middel betoogde, een vergelijking met de uitzonderlijke situatie van het Alcoholslotprogramma niet opging. Het middel faalde. 

Op 10 april 2018 wees de Hoge Raad een arrest met betrekking tot artikel 8 Wegenverkeerswet (WVW, ECLI:​NL:HR:2018:545). In dit artikel wordt een onderscheid gemaakt tussen beginnende en ervaren bestuurders. Bestuurders met weinig ervaring worden aan een lagere toegestane alcohollimiet gebonden dan bestuurders met meer verkeerservaring. In deze zaak was sprake van een bestuurder die 455 µg/l had geblazen en daarnaast geen rijbewijs had. De tenlastelegging was toegesneden op artikel 8 lid 3 onder a en 8 lid 4 WVW, terwijl het hof de verdachte heeft veroordeeld ter zake van artikel 8 lid 2 onder a WVW. Het middel klaagde dat het hof daarmee de grondslag van de tenlastelegging verlaten had. 

Advocaat-generaal Machielse meende dat dit niet het geval was. Hij stelde dat artikel 8 WVW inderdaad een onderscheid maakt tussen be­ginnend (art. 8 lid 3 en 4 WVW) en ervaren (art. 8 lid 2) bestuurders, maar dat dit onderscheid niet meer ter zake doet zo gauw de beginnende bestuurder zoveel alcoholhoudende drank heeft geconsumeerd dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek hoger blijkt te zijn dan 220 µg/l . De Hoge Raad sloot zich hierbij aan en overwoog dat het hof blijkens de bewezenverklaring de tenlastelegging kennelijk zo heeft uitgelegd, dat daarin aan de ver­dachte onder meer wordt verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het besturen van een motorrijtuig na het in artikel 8, tweede lid aanhef en onder a, WVW bedoelde gebruik van alcoholhoudende drank. Volgens de Hoge Raad was deze – aan de feitenrechter voorbehouden – uitleg van de tenlastelegging niet onverenigbaar met de bewoordingen ervan. Van die uitleg uitgaande had het hof bij de bewezenverklaring de grondslag van de tenlastelegging niet verlaten, waardoor het middel faalde. 

NOTEN

[1] Onder andere Rechtbank Amsterdam 28 november 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:7769. 

[2] https://www.parool.nl/amsterdam/om-wil-wetswijziging-na-vonnis-in-zaak-26koper~a4432629/. 

[3] Kamerstukken II 2017/18, 29 279, nr. 427. 

[4] Aanhangsel Handelingen II 2016/17, 2147.