Wetgeving

De Wet beperking wettelijke gemeenschap van goederen is op 1 januari 2018 in werking getreden. Voor een uiteenzetting van de gevolgen van deze wet wordt verwezen naar Advocatenblad 2017-4, p. 62.

Eind februari 2018 is het Wetsvoorstel wegnemen notariskosten bij algehele gemeenschap van goederen in consultatie gegaan. Dit conceptwetsvoorstel maakt het voor aanstaande echtgenoten mogelijk om bij de ambtenaar van de burgerlijke stand middels een formulier aan te geven in algemene gemeenschap van goederen te willen trouwen. Daarvoor hoeft men dan niet meer naar de notaris.

Over het initiatief Wetsvoorstel herziening partneralimentatie was lange tijd niets nieuws te melden. Inmiddels is de behandeling van dit wetsvoorstel overgenomen door Kamerleden Van Oosten (VVD), Kuiken (PvdA) en Groothuizen (D66). Zij presenteerden op 11 juni 2018 een Nota van wijziging, waarin het eerdere wetsvoorstel ingrijpend wordt vereenvoudigd. Het belangrijkste onderdeel is echter ongewijzigd gebleven. Het voorstel blijft om de maximale alimentatietermijn van twaalf jaar te verkorten naar vijf.

Huwelijksvermogensrecht

Vergoedingsvordering

In de afgelopen periode zijn een aantal uitspraken van gerechtshoven geweest over vergoedingsrechten (reprise), waarbij de vordering tot vergoeding dan weer wel en dan weer niet is toegewezen. Daar waar het Hof Den Haag tot uitgangspunt neemt dat met de storting van privégelden op een tot de gemeenschap behorende rekening een te verzilveren vergoedingsrecht is ontstaan, tenzij er feiten en omstandigheden zijn die zich daartegen verzetten, is het Hof Den Bosch een stuk terughoudender. Dit hof lijkt bij vermenging van privé- en gemeenschapsvermogen eerder tot uitgangspunt te nemen dat dan er geen vergoedingsrecht bestaat. Veelal zal het privévermogen dan immers niet meer traceerbaar zijn.

In het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 11 oktober 2017 (ECLI:NL:​GHDHA:2017:3780) ging het om een gemeenschap van goederen. De man had onder uitsluitingsclausule nalatenschappen verkregen. Deze gelden zijn overgeboekt naar een tot de gemeenschap behorende rekening (vermenging). Het hof overweegt dat, nu de gemeenschap is gebaat met het bedrag van de erfenissen, de man in beginsel een vergoedingsvordering op de gemeenschap heeft, tenzij er feiten of omstandigheden zijn die zich daartegen verzetten. De vrouw heeft gesteld dat de gelden ten behoeve van beiden, maar ook ten behoeve van de man alleen verteerd zijn, maar dat dat niet meer valt te achterhalen. Het hof overweegt dat in het geval de gelden verteerd zijn door consumptieve uitgaven dit in beginsel nog niet betekent de man zijn vergoedingsvordering niet kan verzilveren. De onderhavige gemeenschap omvat nog voldoende activa waaruit de vergoedingsvordering kan worden voldaan. Door de vrouw zijn ook geen bijzondere omstandigheden gesteld op grond waarvan geoordeeld zou kunnen worden dat de redelijkheid en billijkheid zich ertegen zouden verzetten dat de man zijn recht jegens de gemeenschap zou effectueren. Het hof oordeelt dan ook dat de man zijn vergoedingsrecht kan effectueren.

In een vergelijkbare casus komt het Gerechtshof DenBosch op 7 november 2017 (ECLI:NL:​­GHSHE:2017:4752) tot een ander oordeel. Ook in deze casus is er een gemeenschap van goederen en heeft ditmaal de vrouw onder uitsluiting gelden verkregen die op een tot de gemeenschap behorende bankrekening zijn gestort. Het hof oordeelt nu dat de gelden door vermenging tot de gemeenschap zijn gaan horen. Aan de vrouw komt geen vergoedingsrecht toe, omdat de gelden op de peildatum niet meer traceerbaar waren en niet vast is komen te staan aan welke specifieke uitgaven het is besteed dan wel dat partijen over de besteding van dit geld met elkaar afspraken hebben gemaakt. Om die reden moet het er wat het hof betreft voor worden gehouden dat de met uitsluiting ontvangen gelden zijn geconsumeerd, opgemaakt aan bestedingen die geen aanleiding geven tot een vergoedingsrecht.

In het arrest van de Hoge Raad van 15 september 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2385) gaat het om de vraag wat er moet gebeuren als er een vergoedingsvordering op de gemeenschap is vastgesteld, maar de gemeenschap ontoereikend is om die vordering te voldoen. De Hoge Raad bevestigt eerdere jurisprudentie (zie HR 13 januari 2006, ECLI:NL:2006:AU2399) dat een echtgenoot wiens privévermogen in de gemeenschap is verdwenen, een vordering heeft op die gemeenschap en dat als de gemeenschap onvoldoende verhaal biedt de helft van de vordering dan op de andere echtgenoot verhaald kan worden. In deze zaak ging het om een vordering van de vrouw met betrekking tot schadevergoeding. Op het moment van ontstaan van de vordering was het Marokkaanse recht nog van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen. Het Marokkaans recht kent geen enkele gemeenschap van goederen, zodat de vordering tot het privévermogen van de vrouw behoort. Toen de schadevergoeding vervolgens tot uitkering kwam, was tussen partijen een gemeenschap van goederen ontstaan en werd die gemeenschap gebaat met privévermogen van de vrouw. De vrouw verkreeg daarmee een vordering tot terugneming (reprise) uit de gemeenschap van aan haar toekomende goederen. Bij echtscheiding bleek het gemeenschapsvermogen echter ontoereikend om het aan de vrouw toekomende bedrag terug te betalen. De helft van het tekort kan de vrouw op de man verhalen.

Beperkte en/of eenvoudige gemeenschap

Uit het arrest van de Hoge Raad van 14 juli 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1358) volgt dat goederen die op grond van huwelijksvoorwaarden niet in een beperkte gemeenschap zijn gevallen, wel tot een eenvoudige gemeenschap kunnen behoren. De casus is als volgt. Voorafgaand aan hun huwelijk zijn partijen huwelijksvoorwaarden overeengekomen die, kort gezegd, inhielden dat tussen hen alleen een beperkte huwelijksgemeenschap van echtelijke woning met hypotheek zou bestaan. Gedurende het huwelijk verkrijgen partijen een boerderij met percelen weiland, een erf en andere aanhorigheden in eigendom. Ter financiering van de aankoop en de verbouwing van dit onroerend goed sluiten partijen hypothecaire geldleningen af bij een bank en bij de onderneming van de man. De vrouw stelt bij echtscheiding dat de beperkte huwelijksgemeenschap slechts het woonhuis omvat en niet de gehele boerderij en maar een beperkt gedeelte van de schuld aan de onderneming. De Hoge Raad oordeelt dat voor zover roerende zaken niet kunnen worden geacht te behoren tot de beperkte gemeenschap van partijen, er ten aanzien van die zaken wel sprake is van een eenvoudige gemeenschap, omdat deze roerende zaken aan beide partijen zijn gaan toebehoren.

Verdeling

De zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 8 september 2017 (ECLI:NL:​HR:2017:2274) gaat over de verdeling van een inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijksgemeenschap. Tussen partijen is in geschil in hoeverre een woning onderdeel uitmaakt van deze gemeenschap. Van belang is dat de vader van de man in 1985 is overleden. Hij had geen testament opgesteld, als gevolg waarvan de man en zijn moeder erfgenaam zijn. Tot de door zijn overlijden ontbonden huwelijks­gemeenschap behoorde onder andere de woning waarover het in deze zaak gaat. Door het overlijden is de man voor een vierde eigenaar van de woning geworden en zijn moeder voor drie vierde. Bij notariële akte van verdeling is de betreffende woning vervolgens volledig aan de man toegedeeld. In die akte van verdeling was een uitsluitingsclausule opgenomen. Het hof stelt de verdeling aldus vast dat de woning wordt toegedeeld aan de man onder de verplichting de helft van de overwaarde aan de vrouw te voldoen. Het hof heeft daartoe, kort gezegd, overwogen dat de man door het overlijden van zijn vader samen met zijn moeder gerechtigd is geworden tot de onverdeelde ontbonden huwelijksgemeenschap (van de ouders) en de daartoe behorende nalatenschap van zijn vader. De titel van verkrijging van het aandeel van de man en dat van zijn moeder is er daarmee een krachtens erfrecht. Op deze verkrijging is volgens het hof geen uitsluitingsclausule van toepassing. De vader had immers geen testament. De daaropvolgende verdeling tussen de man en zijn moeder en hetgeen tussen hen is overeengekomen, maakt dit volgens het hof niet anders. Het hof acht daartoe redengevend dat een deelgenoot hetgeen hij verkrijgt ingevolge artikel 3:186 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) onder dezelfde titel houdt als waaronder de deelgenoten dit tezamen vóór de verdeling hielden. Ook na de verdeling houdt de man de woning volgens het hof dus ten titel van erfrecht, zonder dat daarop een uitsluitingsclausule van toepassing is. De man klaagt in cassatie onder andere dat het hof daarmee miskend dat hij voor een vierde krachtens erfrecht gerechtigd was tot de woning en drie vierde onder uitsluiting heeft verkregen. Deze klacht slaagt. De Hoge Raad overweegt dat de verdeling van een nalatenschap een rechtshandeling van de gezamenlijke erfgenamen (deelgenoten) betreft die tot levering verplicht. In die rechtshandeling kan mede een andere rechtshandeling besloten liggen, zoals een schenking van de ene deelgenoot aan de andere deelgenoot. Aan die schenking kan een uitsluitingsclausule verbonden worden. Artikel 3:186 lid 2 BW staat daar, aldus de Hoge Raad, niet aan in de weg. De Hoge Raad overweegt verder dat dit niet anders is indien het gaat om de verdeling van een nalatenschap waaraan de erflater zelf geen uitsluitingsclausule heeft verbonden. Artikel 3:186 lid 1 BW houdt immers niet meer in dan dat een deelgenoot hetgeen hij (door verdeling en levering) verkrijgt, gaat houden onder dezelfde titel als waaronder de deelgenoten dit samen vóór de verdeling hielden.

Kroniek Personen- en Familierecht en Erfrecht

Internationaal privaatrecht

Het arrest van de Hoge Raad van 12 januari 2018 (ECLI:NL:HR:2018:31) maakt duidelijk dat het ontbreken van rechtsmacht ten aanzien van een echtscheidingsverzoek niet in de weg staat aan de bevoegdheid ten aanzien van nevenvoorzieningen met betrekking tot de ouderlijke verantwoordelijkheid indien het kind zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Deze zaak gaat over het naar India ontvoerde meisje Insiya. Haar moeder heeft de Nederlands-Pakistaanse nationaliteit en haar vader de Indiase. De moeder is op 7 december 2014 naar Nederland gereisd en sindsdien daar gebleven met het kind. In deze procedure verzoekt moeder om echtscheiding en een aantal nevenvoorzieningen met betrekking tot de ouderlijke bevoegdheid. Nadat de rechtbank zich bevoegd had geacht, verklaarde het hof zich in tussentijds hoger beroep onbevoegd om kennis te nemen van het echtscheidingsverzoek. Bij beantwoording van de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van het echtscheidingsverzoek is artikel 3 lid 1 sub a Brussel II-bis maatgevend, aldus het hof. Artikel 3 lid 1 sub a Brussel II-bis bepaalt dat de verzoekster minstens zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek gewone verblijfplaats op het grondgebied van de betreffende lidstaat dient te hebben. Aan dit vereiste voldeed de vrouw niet, zodat het hof zich onbevoegd verklaarde om kennis te nemen van het echtscheidingsverzoek. Aangezien het hof veronderstelde dat de verzochte nevenvoorzieningen delen in het lot van de hoofdzaak (conform art. 827 lid 1, aanhef en onder c, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) jo. art. 1:251a lid 2 BW<em>)</em>, verklaarde het hof zich ook onbevoegd ten aanzien van de nevenvoorzieningen. Dat laatste was onjuist, volgens de Hoge Raad. De verzochte nevenvoorzieningen (die alle zagen op de ouderlijke verantwoordelijkheden) vallen onder artikel 8 lid 1 Brussel II-bis. Op grond van dat artikel moet voor deze verzoeken worden uitgegaan van de gewone verblijfplaats van het kind op het moment dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Dat was Nederland zodat de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van de verzochte nevenvoorzieningen.

Procesrecht

Belanghebbende

Op 30 maart 2018 heeft de Hoge Raad duidelijkheid verschaft over het belanghebbende begrip in artikel 798 lid 1, eerste volzin, Rv en artikel 806 lid 1 Rv bij beëindiging van door ouders gezamenlijk uitgeoefend ouderlijk gezag (art. 1:266 BW). Dit zowel door beantwoording van prejudiciële vragen (ECLI:NL:HR:2018:488) als met het arrest van die datum (ECLI:NL:HR:2018:488). In het arrest komt ook de tweede volzin van artikel 798 lid 1 Rv aan de orde. Duidelijk is geworden dat de door artikel 798 lid 1, eerste volzin, Rv bestreken kring van belanghebbenden in zaken van personen- en familierecht (in andere zaken dan scheidingszaken) niet in algemene zin kan worden afgebakend. Welke persoon of instelling (hierna elk van beide: betrokkene) als belanghebbende moet worden aangemerkt, wordt bepaald – aan de ene kant – door het onderwerp van de aan de rechter voorgelegde zaak en – aan de andere kant – door de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept. Alleen als het onderwerp van de zaak ertoe kan leiden dat de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept, rechtstreeks door de rechterlijke beslissing worden geraakt, is die betrokkene in die zaak belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1, eerste volzin, Rv.

Een niet met het gezag beklede ouder is daarom in het kader van een ondertoezichtstelling (ots) geen belanghebbende in de zin van (thans) artikel 798 lid 1, eerste volzin Rv (HR 12 september 2014, ECLI:NL:​HR:2014:2665, <em>NJ </em>2014/482, rov. 3.3.3-3.3.7). De andere ouder is wel belanghebbende in de zin van voornoemde artikelen in de procedure in hoger beroep tegen een beschikking waarbij op grond van artikel 1:266 BW het ouderlijk gezag van elk van beide ouders over een kind met wie die ouders gezinsleven hebben, is beëindigd, maar waarbij de grieven van de appellerende ouder slechts zijn dan wel haar eigen gezag betreffen. In het arrest van 30 maart 2018 ging het om een vader die nimmer gezag over de kinderen heeft gehad. Hij is geen belanghebbende in de zin van voornoemde artikelen in de procedure waarin het gezag van de moeder is beëindigd, omdat de beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder niet ingrijpt in de rechtsbetrekking tussen de vader en de kinderen. Deze vader deed ook een beroep op artikel 798 lid 1, tweede volzin, Rv, maar ook dat slaagt niet. Overwogen wordt dat de tweede volzin van artikel 798 lid 1 Rv weliswaar niet het begrip ‘pleegouder’ bezigt en daarmee naar de letter ook een persoon bestrijkt die geen pleegouder is en evenmin de juridische ouder van de minderjarige is, maar die de minderjarige gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt. In die lezing zou een stiefouder of een biologische ouder zonder juridisch ouderschap ook onder de reikwijdte van artikel 798 lid 1, tweede volzin, Rv kunnen vallen. Een dergelijke lezing strookt echter niet met de bedoeling van de wetgever, die erop was gericht de processuele positie van pleegouders te versterken.

Kroniek Personen- en Familierecht en Erfrecht 2018

Partneralimentatie

De Hoge Raad bevestigt bij arrest van 4 mei 2018 (ECLI:NL:HR:2018:695) dat hoge motiveringseisen gelden voor een beslissing van de rechter die het recht op een bijdrage voor levensonderhoud (praktisch) definitief doet eindigen voordat de in artikel 1:157 lid 4 BW genoemde periode van twaalf jaar is verstreken. Terughoudendheid dient te worden betracht bij beëindiging op een datum in het verleden. Het ‘afnemen’ of ‘vervallen’ van lotsverbondenheid kan géén grond zijn voor beëindiging van de alimentatieverplichting, ook niet in samenhang met andere omstandigheden. De Hoge Raad beslist dat niet alleen bij een beslissing, houdende een beëindiging of limitering van een alimentatieverplichting hoge motiveringseisen gelden. Die hoge motiveringseisen gelden ook in geval als dit, waarin de beslissing van de rechter het recht op een bijdrage voor levensonderhoud (praktisch) definitief doet eindigen voordat de in artikel 1:157 lid 4 BW genoemde periode van twaalf jaar is verstreken, hetzij doordat de rechter de alimentatieverplichting als zodanig beëindigt of limiteert, zoals in dit geval, hetzij doordat de rechter het alimentatiebedrag op nihil stelt en zijn beslissing grondt op omstandigheden die naar hun aard niet meer voor wijziging vatbaar zijn.

Betaalde hypotheekrente aan te merken als partneralimentatie?

Het arrest van het gerechtshof Den Bosch van 6 april 2017 (ECLI:NL:​GHSHE:2017:1527) is een belastingzaak. Partijen zijn op huwelijksvoorwaarden met elkaar gehuwd. De echtelijke woning is gemeenschappelijk eigendom. De daarop rustende hypotheek (met gekoppelde levensverzekering) zijn partijen gezamenlijk aangegaan. In 2009 wordt het huwelijk door echtscheiding ontbonden. De vrouw vestigt zich elders. De man blijft in de voormalig echtelijke woning wonen en voldoet de hypothecaire verplichtingen. De rechtbank heeft de door man aan de vrouw te betalen partneralimentatie vastgesteld op 370 euro bruto per maand. In geschil is de vraag of de door de man in zijn aangifte inkomstenbelasting (IB) als alimentatie opgevoerde hypotheekrente en premies levensverzekering als zijn aan te merken als onderhoudsverplichting. Het hof beslist in het voordeel van de belastinginspecteur. Naar het oordeel van het hof heeft de man niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een overeenkomst tussen hem en zijn ex-vrouw inhoudende de verplichting om ‘haar’ deel van de hypotheekrente en premies levensverzekering te voldoen. Dientengevolge kwalificeert de voldoening van deze rente en premie, naar het oordeel van het hof, niet als een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting.

De Hoge Raad had bij arrest van 7 juli 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1273) al beslist dat het ontvangen kindgebonden budget geen rol mag spelen bij de bepaling van de behoefte aan partneralimentatie. Uit het arrest van 22 december 2017 (ECLI:NL:​HR:2017:3266) blijkt dat hetzelfde geldt voor zowel de huurtoeslag als de zorgtoeslag.

Doorbreking niet-wijzigingsbeding

Het gerechtshof Den Bosch geeft in haar arrest van 27 juli 2017 (ECLI:NL:​GHSHE:2017:3367) een voorbeeld van een doorbreking van een niet-wijzigingsbeding. De beëindiging van het dienstverband van de man met zijn vorige werkgever en de gevolgen hiervan voor zijn inkomenspositie kunnen naar het oordeel van het hof niet worden beschouwd als omstandigheden die dienen te leiden tot doorbreking van het overeengekomen niet-wijzigingsbeding. De bij de man gediagnosticeerde ziekte ziet het hof (wel) als een omstandigheid die leidt tot doorbreking van het niet-wijzigingsbeding. De ziekte van de man was niet voorzien.

Behoefte

Bij uitspraak van 17 oktober 2017 (ECLI:GHARL:2017:9206) komt Hof Arnhem-Leeuwarden tot het oordeel dat, alles in ogenschouw nemend, mag worden aangenomen dat de vrouw, ondanks haar bestaande arbeidsongeschiktheid, beschikt over resterende verdiencapaciteit en redelijkerwijs in staat moet worden geacht deze verdiencapaciteit ook te gelde te maken. Gebleken is dat de vrouw naast haar WAO-uitkering 350 euro bruto per maand, inclusief vakantiegeld, mag verdienen alvorens zij gekort wordt op deze uitkering. Het hof gaat daarom uit van een redelijkerwijs door de vrouw te verdienen inkomen uit arbeid van 350 euro bruto per maand, en wel per 1 januari 2017. De vrouw heeft dan, vanaf het einde van het huwelijk van partijen, bijna twee jaar de tijd gehad om zich te oriënteren op haar mogelijkheden op de arbeidsmarkt en te solliciteren naar een betaalde baan.

De behoefte van de vrouw aan partneralimentatie is na acht jaar niet verbleekt. Zij is daarbij ook nog steeds behoeftig, zo oordeelde het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 15 februari 2018 (ECLI:NL:​GHARL:2018:1597). De vrouw heeft in haar omstandigheden in voldoende mate aan haar inspanningsverplichtingen om eigen inkomen te genereren voldaan. Het is niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid voor de man om een partneralimentatie van meer dan 5.000 euro bruto per maand te moeten voldoen. De verwijzing door de man naar het Wetsvoorstel tot verkorting van de termijn van de partneralimentatie in relatie tot de door hem gestelde verbreking van de behoefte geeft het hof geen aanleiding tot een ander oordeel. Vast is komen te staan dat de man en de vrouw bijna 37 jaar gehuwd zijn geweest en de vrouw het grootste gedeelte van het huwelijk niet of nauwelijks inkomen heeft verworven. Bovendien heeft de vrouw geruime tijd aan een ernstige ziekte geleden.

Beroepsfout advocaat

De Rechtbank Noord-Holland oordeelde in zijn uitspraak van 8 november 2017 (ECLI:NL:RBNHO:​2017:9358) over de verrichtingen van een advocaat in een procedure tot het treffen van voorlopige voorzieningen. Anders dan betoogd, geldt niet als uitgangspunt dat de rechter in geval van voorlopige voorzieningen bij de berekening van de hoogte van de partneralimentatie wat betreft de draagkracht slechts acht slaat op het salaris van (in dit geval) de man. De rechter kan ook de winst uit onderneming en het jaarlijks uitgekeerde dividend meewegen bij de bepaling van de hoogte van de draagkracht, zeker wanneer die geen onderdeel zijn van het debat tussen partijen. De advocaat heeft cliënte er ten onrechte niet op gewezen dat zij met de vaststellingsovereenkomst niet alleen laag zou inzetten, maar ook (en vooral) haarzelf de mogelijkheid zou ontnemen om wegens gewijzigde omstandigheden (in dit geval het voorzienbare wegvallen van inkomen) om een herziening van de partneralimentatie te verzoeken. Dat was een verzoek waarvan de advocaat ook op voorhand had moeten inzien dat dit een gerede kans van slagen zou hebben.

OTS

De uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 23 maart 2018 (ECLI:​NL:GHDHA:2018:724) is een voorbeeld van een zaak waarin een zogenaamde omgangs-ots wordt uitgesproken. Volgens vaste rechtspraak (zie Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:295) worden er hoge eisen gesteld aan de motivering van een omgangs-ots. In dit geval acht het hof die gronden aanwezig. Moeder stelt dat het kind het op school goed doet, maar het hof vermoedt toch ontwikkelingsbedreiging door tal van omstandigheden, zoals de strijd tussen de ouders en het wel en niet zien van de vader.

BOPZ

In zijn arrest van 16 februari 2018 (ECLI:NL:HR:2018:222) geeft de Hoge Raad antwoord op de vraag of bij een machtiging voortgezet verblijf in verpleeginrichting of zwakzinnigeninrichting het ‘verzetcriterium’ (artikel 3 Wet Bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen, Wet Bopz) of het ‘bereidheidscriterium’ (artikel 2 lid 3 onder a Wet Bopz) van toepassing is. Een voorlopige machtiging voor opneming in een psychiatrisch ziekenhuis is vereist als de betrokkene geen blijk geeft van de nodige bereidheid (het bereidheidscriterium). Voor opneming en verblijf in een zwakzinnigeninrichting of verpleeginrichting is een voorlopige machtiging vereist indien de betrokkene blijk geeft van verzet tegen opneming of verblijf (het verzetcriterium). Ook bij een machtiging op de voet van artikel 15 Wet Bopz tot voortgezet verblijf in een zwakzinnigeninrichting of verpleeginrichting is het verzetcriterium van toepassing.

Erfrecht

Rekening en verantwoording

Een erflaatster heeft bij leven haar neef tot bewindvoerder over haar vermogen benoemd. Dit omdat zij dementerende was. Dit vermogen bestond, onder andere, uit een bedrag van ruim 400.000 euro aan spaargeld. Op enig moment heeft de neef dit geldbedrag, wel met medeweten van erflaatster (die ook een verklaring heeft ondertekend) namens haar aan zijn moeder (zuster van erflaatster) geschonken. Nadat erflaatster in 2008 overleed, heeft de neef rekening en verantwoording aan de kantonrechter afgelegd over het door hem gevoerde beheer over het vermogen van erflaatster. De kantonrechter heeft dit afgekeurd, omdat de neef verzuimd heeft het bedrag van ruim 400.000 euro op de begin- en eindstaat te zetten en ook omdat hij geen machtiging voor de schenking heeft gevraagd. De vraag is nu ten eerste of de andere erfgenamen een beroep kunnen doen op het gezag van gewijsde van de beschikking van het hof waarin de afkeuring van de rekening en verantwoording is bevestigd. Het hof oordeelde in deze zaak van niet, omdat de rekening en verantwoording niet aan de erfgenamen maar aan de kantonrechter zijn afgelegd.

Daar oordeelt de Hoge Raad echter anders over (HR 22 december 2017, ECLI:HR:2017:3262). Uit het samenstel van bepalingen met betrekking tot meerderjarigenbewind en voogdij (zie o.a. art. 1:445 lid 5, art. 1:373 lid 1 en art. 1:374 lid 1 BW) moet worden afgeleid dat de bewindvoerder na het overlijden van de onder bewind gestelde rekening en verantwoording aflegt aan de erfgenamen van de rechthebbende, ten overstaan van de kantonrechter, en dat de kantonrechter in dit verband rijzende geschillen beslist. Anders dan het hof heeft geoordeeld, moeten de door de neef afgelegde rekening en verantwoording dus worden aangemerkt als afgelegd aan de erfgenamen van de erflaatster ten overstaan van de kantonrechter. Hieruit volgt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep van de erfgenamen op het gezag van gewijsde van hetgeen is beslist over de rekening en verantwoording reeds erop afstuit dat hier sprake is van aan de kantonrechter afgelegde rekening en verantwoording, als bedoeld in artikel 1:445 lid 2, tweede volzin, BW.

Verder komt de vraag aan de orde in hoeverre in dezen artikel 3:194 lid 2 BW van toepassing is, dat bepaalt dat degene die een goed van de nalatenschap (gemeenschap) verzwijgt dan wel verborgen houdt, zijn aandeel in dit goed verbeurt aan de andere deelgenoten. Wanneer is er sprake van opzet als bedoeld in dit artikel? De Hoge Raad oordeelt dat het begrip ‘opzettelijk’ niet aldus moet worden verstaan dat is vereist dat de desbetreffende deelgenoot het oogmerk had om rechten van de deelgenoten of de schuldeisers te verkorten. Voor het ‘opzettelijk’ verzwijgen, zoekmaken of verborgen houden van een goed als bedoeld in artikel 3:194 lid 2 BW is voldoende dat de desbetreffende deelgenoot weet dat het verzwegen goed tot de gemeenschap behoort.

Procesrecht

De Hoge Raad stelt in zijn arrest van 20 april 2018 (ECLI:NL:HR:2018:649) in navolging van zijn arrest van 10 maart 2017 (ECLI:NL:HR:2017:411) eiser tot cassatie in de gelegenheid om mede-erfgenamen alsnog in cassatie op te roepen. Het betreft een procedure waarin de verdeling van een nalatenschap gevorderd is. Uitgangspunt is dat een rechter over een processueel ondeelbare rechtsverhouding, zoals de verdeling van een nalatenschap, slechts een oordeel kan geven als alle partijen die bij die rechtsverhouding betrokken zijn, ook partij zijn in de procedure. Het is namelijk noodzakelijk dat een beslissing in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokken partijen. Dit betekent, aldus de Hoge Raad, dat alle bij de rechtsverhouding betrokken partijen in het geding moeten worden opgeroepen, zowel in eerste aanleg als in volgende instanties.

In het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:939) speelt de scheidslijn tussen vereffening en verdeling. Een drietal erfgenamen in een nalatenschap stellen over en weer vorderingen in die betrekking hebben op de verdeling van die nalatenschap. Er is echter sprake van beneficiaire aanvaarding zodat de nalatenschap op grond van artikel 4:195 lid 1 BW moet worden vereffend. De drie erfgenamen zijn daardoor vereffenaar geworden en moeten er onder meer voor zorgdragen dat de schulden van de nalatenschap (voor zover mogelijk) worden voldaan. In het belang van de schuldeisers van de nalatenschap is het uitgangspunt dat voordat tot verdeling kan worden overgegaan de vereffening moet zijn voltooid. In deze casus concludeerde het hof dat de vereffening niet voltooid is en evenmin duidelijk is wanneer deze zal worden voltooid. Partijen worden daarom niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen tot verdeling. Dit wordt door de Hoge Raad gecasseerd. Het hof had in overleg met partijen moeten onderzoeken of toch over de vorderingen tot verdeling kan worden beslist op een wijze waarbij ook voldoende rekening wordt gehouden met de belangen van de schuldeisers van de nalatenschap. Dit kan bijvoorbeeld door het aanhouden van de zaak totdat vereffening heeft plaats­gevonden.

Wilsbekwaamheid erflater afgifte van een medisch dossier

In 2017 is diverse malen geprocedeerd over de vraag of een erflater in staat was om zijn of haar wil te bepalen ten tijde van het opstellen van het testament. Degene die stelt dat de erflater wilsonbekwaam was zodat het testament nietig is, moet dit bewijzen.

In de praktijk betekent dit vaak dat inzage gewenst is in het medische dossier van erflater. Dit wordt belemmerd door het beroepsgeheim van hulpverleners zoals dat is vastgelegd in artikel 7:457 BW. Het beroepsgeheim kan naar vaste rechtspraak worden doorbroken indien sprake is van een (recente) wijziging van een testament waardoor betrokkenen zijn onterfd, er concrete aanwijzingen zijn om te vermoeden dat de erflater ten tijde van de wijziging van het testament wilsonbekwaam was en niet langs andere weg dan het medisch dossier opheldering over deze wilsonbekwaamheid kan worden verkregen. Zowel de Rechtbank Noord-Nederland op 27 september 2017 (ECLI:NL:RBNNE:2017:4099) als de Rechtbank Gelderland op 21 november 2017 (ECLI:NL:RBGEL:​2017:6853) ziet in kort geding aanleiding het beroepsgeheim te door­breken.

De notaris dient voorafgaand aan het passeren van een testament de wilsbekwaamheid naar eigen waarneming te beoordelen en bij gerede twijfel verder onder­zoek te doen (bijvoorbeeld middels van het zogenaamde ‘Stappenplan Beoordeling Wils­bekwaamheid’). De Hoge Raad oordeelde op 10 november 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2850) dat het hof terecht had aangenomen dat de erflater wilsbekwaam was ondanks dat de notaris in deze casus een aantal tuchtrechtelijke verwijten konden worden gemaakt. In de motivering van het hof is meegenomen dat de notaris nader onderzoek heeft verricht en het ‘Stappenplan’ heeft gevolgd. In dit arrest wordt voorts ingegaan op de zorgplicht van de notaris naar derden onder ­verwijzing naar het Novitaris-arrest (vgl. Hoge Raad 3 april 2015, ECLI:NL:​HR:2015:831).

In het tussenarrest van het Hof ­Amsterdam van 9 mei 2017 (ECLI:NL:​GHAMS:2017:1749) is een casus aan de orde waarbij zowel de ‘vaste’ notaris in 2010 als een ’nieuwe’ notaris in 2011 zijn twijfels heeft over de wilsbekwaamheid van een erflater met dementieverschijnselen. Uiteindelijk passeert het testament bij de laatstgenoemde notaris. In de procedure wordt de wilsbekwaamheid van erflater ter discussie gesteld. De deskundigen die namens partijen zijn benaderd, verschillen dusdanig van mening over de invloed van de ziekte op de wilsbekwaamheid van erflater dat het gerechtshof een onafhankelijke deskundige benoemt. Het hof wenst ook duidelijkheid te verkrijgen over de rol van de notaris bij de totstandkoming van het testament.

Het Hof Den Haag accepteert in haar arrest van 28 november 2017 (ECLI:NL:GHDHA:2017:3511) een bewijsaanbod van betrokkene over de wilsbekwaamheid van erflaatster als gevolg van Alzheimerdementie, middels het horen van de klinisch geriater.

Gemeenschap

Het arrest van de Hoge Raad van 6 april 2018 (ECLI:NL:HR:2018:535) betrof het beheer van een nalatenschap met een vijftal erfgenamen: de kinderen van de erflater.

In deze casus verkocht erflater, kort voor zijn overlijden in 2007, aan zijn zoon en kleindochters percelen grond. Na het overlijden van vader stelt een dochter dat de overeenkomsten tot verkoop van de betreffende percelen moeten worden vernietigd wegens dwaling en bedrog omdat vader door zijn zoon onjuist geïnformeerd zou zijn over de waarde van de percelen. De dochter spreekt ten behoeve van de nalatenschap zowel haar (half)broer als de kleindochters aan. De dochter en (half)broer zijn beiden erfgenaam in deze nalatenschap. De kleindochters zijn dat niet. Een ontvankelijkheidsdiscussie is het gevolg.

Volgens artikel 3:170 lid 2 BW kunnen rechtsvorderingen namens de gemeenschap alleen door alle deelgenoten gezamenlijk worden ingesteld. Een deelgenoot kan, op grond van artikel 3:171 BW, slechts zelfstandig ten behoeve van de gemeenschap een rechtsvordering instellen als het een vordering jegens een derde betreft. Voor vorderingen jegens mededeelgenoten is artikel 3:184 BW de geëigende weg.

De dochter is door het hof niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen jegens haar (half)broer nu deze deelgenoot is in de gemeenschap en niet als derde kan worden aangemerkt. De uitzondering op deze regel, namelijk de situatie dat de vordering tegen de deelgenoot zich er niet voor leent in de verdeling van de gemeenschap te worden betrokken (vgl. Hoge Raad 8 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7043), doet zich hier niet voor.

Het hof heeft volgens de Hoge Raad echter miskend dat de kleindochters van erflaters als derden op grond van artikel 3:171 BW kunnen worden aangemerkt. Dit betekent dat de dochter zelfstandig en onafhankelijk van de overige deelgenoten ten behoeve van de nalatenschap een vordering kan instellen tegen de kleindochters van erflater. In dit geval baatte het de dochter niet omdat de vorderingen inmiddels zijn verjaard.

Kroniek Personen- en Familierecht en Erfrecht

Christiane Verfuurden is advocaat bij Schakenraad ­Advocaten in Eindhoven en tevens redactielid van dit blad. Liesbeth Willemsen is advocaat bij LNW Advocaten en Mediators in Gorichem. Imke Gerrits is advocaat bij Goorts & Coppens Advocaten in Helmond.

Deze Kroniek verscheen in Advocatenblad 2018-6.